Bill Wyman verspilt zijn talenten

Concert: Bill Wyman's Rhythm Kings. Gehoord: 13/10 Paradiso, Amsterdam.

Bill Wyman zingt! “Ik hou er niet van”, zei de man die tot vier jaar geleden de bassist (en niets anders dan de bassist) was van de Rolling Stones, “maar ik doe het toch.” Twee nummers zong hij, bij het eerste van twee concerten die zijn Rhythm Kings gisteren in een vol Paradiso gaven. De rest van het tamelijk behoudende repertoire kwam voor rekening van andere leden van de veteranenclub op het podium, met Georgie Fame en Procol Harum's Gary Brooker op toetsen, Albert Lee en Peter Frampton op gitaren en in het midden de bassist die om zijn onbeweeglijke podiumverschijning altijd de Stille Stone werd genoemd.

Erg enerverend was het niet, want er werden overduidelijk krachten gespaard voor het nachtconcert dat nog moest volgen. Bovendien strekt de ambitie van de Rhythm Kings niet verder dan pretentieloze rhythm & blues zoals die door talloze coverbands op bruiloften en partijen wordt gespeeld. Tussen vakkundig uitgevoerde, maar van opwinding ontdane klassiekers als Elvis Presley's Mystery Train en het door Wyman met een verontschuldigende glimlach gebromde Green River (van Creedence Clearwater Revival) was eigenlijk alleen de keuze van de Rolling Stones' Melody opmerkelijk, te meer omdat deze officieel aan Jagger & Richards toegeschreven song nadrukkelijk werd aangekondigd als “een compositie van Billy Preston”.

De titel van de cd Struttin' Our Stuff geeft al aan dat de Rhythm Kings geen muzikale revolutie willen ontketenen. Voor één nummer zonder zijn onafscheidelijke bas stond de stijve zestiger Wyman er onbeholpen bij in het ondeugende Stuff, een duet met zangeres Beverly Skeete. De gezapige sfeer werd een paar keer doorbroken, onder meer door de dramatisch kalende Peter Frampton die in de blues-standard Tobacco Road zijn slidegitaar liet jammeren. Pas laat in de set mochten Frampton en countrygitarist Albert Lee wat opwinding veroorzaken met een explosief gitaarduel in Tear It Up.

De overwegende indruk was toch dat hier een soort verspilde-talentenband stond, met mannen die allemaal beter kunnen maar die het zo wel prima vonden. Bill Wyman slaagt weliswaar in de opzet om zijn met de Rolling Stones opgebouwde roem op een rustige manier af te bouwen. Voor het publiek dat op die roem was afgekomen, ontbrak echter de vonk die bij de overgebleven Stones nog altijd het vuur van de rock'n'roll ontsteekt zodra Keith Richards zijn gitaar omhangt.