Bedrijfswinsten in 1996 naar record

AMSTERDAM, 14 OKT. De netto winst van grote ondernemingen in Nederland is in 1996 tot een recordhoogte van 48,3 miljard gulden gestegen. Dat is 4,3 miljard gulden meer dan het jaar ervoor. De chemie en delfstoffenwinning leverden de belangrijkste bijdrage aan de winstgroei. Dit blijkt uit een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bij 2.310 ondernemingen met een balanstotaal van 25 miljoen gulden of meer.

Hoewel de gezamenlijke netto winst in absolute getallen nooit eerder zo hoog was, neemt de stijging ervan ieder jaar af. In 1994 was de winststijging ten opzichte van 1993 nog 58 procent. In 1995 ten opzichte van 1994 was dat 18 procent en vorig was de stijging nog maar 10 procent hoger dan het jaar ervoor.

Niet met alle bedrijven gaat het goed. Eén op de zes ondernemingen leed vorig jaar verlies. De rentabiliteit (winst uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen) van de grote ondernemingen ligt op 14,7 procent, 0,5 procent punt lager dan het jaar ervoor.

Het feit dat één op de zes bedrijven verlies lijdt, toont volgens het CBS aan dat het goed gaat. “In een normaal jaar is dat één op de vijf of één op de 4,5; 1996 was dus een goed jaar”, aldus H.H. Smeets van het CBS.

De chemie en delfstoffenwinning namen met een winststijging van 3,2 miljard gulden het grootste deel van de toename voor hun rekening.

In de metaal-, machine- en elektrotechnische industrie ging de winst 61 procent naar beneden van 5 naar 1,9 miljard gulden. “Dat de winst in deze sector daalt, is toe te schrijven aan één individuele onderneming. Er is geen sprake van een structurele omslag”, stelt Smeets. Het CBS mag geen namen noemen, maar Philips leed vorig jaar meer dan een half miljard verlies, terwijl het concern het jaar ervoor nog 2,5 miljard winst boekte.

In de bedrijfstak papier en uitgeverijen daalde de winst met 28 procent van 3 miljard naar 2,1 miljard gulden. Ook dit schrijft het CBS toe aan enkele bedrijven. “Je kunt hier ook niet zeggen dat er sprake is van een omslagpunt. In deze sector zijn honderd bedrijven onderzocht. Vier grote hadden een sterke invloed op het eindresultaat”, aldus Smeets.

De uitkomst van het breed opgezette onderzoek laat ieder jaar lang op zich wachten en is daarom geen actuele bedrijfeconomische indicator te noemen. Niet-beursgenoteerde presenteren geen halfjaarcijfers waardoor het CBS pas na de opmaak van de jaarrekening inzage in de cijfers krijgt. Onderzoeksgegevens van louter beursgenoteerde ondernemingen zijn weliswaar actueler, maar minder representatief. Op de beurs is namelijk de sectorverhouding scheef. Zo hebben veel bedrijven uit de industie-sector een beursnotering en relatief weinig ondernemingen uit de sector dienstverlening.