Vredesoperaties zijn wel zinvol

Nederland drukt zich bij vredesoperaties. Zo luidde de kop van een bijdrage op deze pagina van de heren Homan en Leurdijk (NRC Handelsblad, 23 september). De auteurs vroegen zich af wat er toch mis is met het Nederlandse ambitieniveau. Van de 'Rapid Deployment Brigade', ook wel de Van Mierlo-brigade genoemd, is al een hele tijd niets meer vernomen.

Ook in de ondersteuning van andere initiatieven zoals de SHIRBRIG, is Nederland terughoudend. De heer Monasch (NRC Handelsblad, 4 oktober) vindt daarentegen dat Nederland veel te ambitieus is. Hij pleit zelfs voor een herijking van het buitenlands beleid. Met de stellingnames in beide artikelen ben ik het niet eens.

Het idee van een snelle-interventiemacht werd naar voren gebracht door minister Van Mierlo tijdens zijn toespraak tot de Algemene Vergadering van de VN in 1994. Hij gaf destijds zelf toe dat het idee in de late uren, voorafgaande aan de toespraak, was ontstaan. Het was meer een reactie op de onmacht van de internationale gemeenschap om op te willen treden tegen de moordpartijen in Rwanda dan dat het voorstel de uitkomst was van een weloverwogen proces. Het was onvoldragen, slecht doordacht en viel dan ook op rotsige bodem. Om de eer nog enigszins te redden werd een clubje opgericht onder de naam 'Vrienden van de VN-brigade'.

De kern waar het bij militaire interventies om draait is niet het gebrek aan militaire middelen - bijvoorbeeld brigades - maar het gebrek aan politieke wil. De permanente leden van de Veiligheidsraad beschikken immers zelf over voldoende eigen troepen, maar waar het om gaat is de politieke bereidheid om deze ook daadwerkelijk te willen inzetten. Zo lang hun belangen niet op het spel staan, zullen zij niet snel geneigd zijn militair te interveniëren. In zo'n situatie laat een besluit van de Veiligheidsraad dan ook lang op zich wachten. Een snelle VN-brigade doet daar niets aan toe of af.

Toen de realisatie van een VN-brigade politiek onmogelijk bleek, kwam Denemarken, volop gesteund door Nederland, met een voorstel de bestaande militaire toezeggingen van de VN-lidstaten te bundelen in een zogenoemde 'Standby Forces High Readiness Brigade' (SHIRBRIG). Dit initiatief kreeg meer steun dan de Van Mierlo-brigade en leidde dit jaar tot de oprichting van een permanente brigadestaf in Kopenhagen. Ook het SHIRBRIG-concept gaat echter aan de kern van de zaak voorbij. Immers men gaat er vanuit dat de VN voortdurend te laat bij brandhaarden komen als gevolg van een te lange reactietijd. Maar dat is onjuist. De eenheden die onder de SHIRBRIG ressorteren staan binnen vijf à tien dagen ter beschikking van de VN. Het is echter het politieke besluitvormingsproces zowel in de Veiligheidsraad als binnen de lidstaten dat veel tijd vergt en vaak uitmondt in onwil om militair op te treden. Leurdijk en Homan gaan in hun artikel aan die kernvraag voorbij.

Daarnaast zijn er militair-operationele redenen om aan de effectiviteit van het SHIRBRIG-concept te twijfelen. In de eerste plaats mogen de eenheden alleen worden ingezet voor VN-operaties op basis van hoofdstuk VI van het VN-Handvest. Dit zijn operaties waarbij doorgaans sprake is van een bestand en waar de strijdende partijen van elkaar zijn gescheiden. Het zijn de VN-operaties van de lichtbewapende soldaat met de blauwe baret en een beperkt mandaat. De praktijk van de laatste jaren wijst uit dat inzet van troepen alleen maar succesvol kan zijn wanneer robuust wordt opgetreden, de eenheden een toereikend mandaat hebben en waarbij gebruik van geweld niet wordt uitgesloten. Optreden op basis van hoofdstuk VII van het VN-Handvest is dan noodzakelijk.

In de tweede plaats is het niet zeker, als het er echt op aankomt, welke landen uiteindelijk mee willen doen. Het SHIRBRIG-concept is vooral gebaseerd op de goede wil van een aantal kleine landen. Maar is dat wel een voldoende basis voor de voorbereiding van militaire operaties? In de derde plaats is een breed politiek draagvlak van belang. Wanneer het idee van de SHIRBRIG in zijn ontwikkelingsfase al niet op veel steun kan rekenen, wat kan er dan van verwacht worden als het er werkelijk op aan komt? Om die redenen heeft de VVD-fractie destijds de minister van Defensie gevraagd een pas op de plaats te maken. Nu recent is gebleken dat een aantal landen zijn oorspronkelijke aarzelingen heeft laten varen en ook daadwerkelijk aan SHIRBRIG wil bijdragen is, los van de militair-operationele bezwaren, de politieke vraag relevant of Nederland als een van de founding nations van dit concept, zijn houding zou moeten wijzigen. Dit is een terechte vraag en de VVD is in ieder geval tot zo'n heroverweging bereid.

Ik deel dan ook niet de scepsis, waar Monasch in zijn artikel van blijk geeft. Het is te simpel, zoals hij doet, alleen die vredesoperaties op te sommen waar het mis is gegaan. In veel gevallen lag dit niet aan het militaire optreden, maar aan de slappe knieën van een aantal hoofdrolspelers binnen de VN. Als de criminaliteit toeneemt mag de reactie niet zijn dat de politie wordt ingekrompen. Dat geldt ook voor vredesoperaties. Nederland als welvarende handelsnatie is gebaat bij een stabiele omgeving en bij handhaving van de internationale rechtsorde. Nederland zal, daar waar dit in het nationale belang is, ook zijn verantwoordelijkheid internationaal moeten nemen. Het door de Tweede Kamer geaccordeerde toetsingskader moet daarbij voorkomen dat men op basis van emoties en de waan van de dag, militairen met een onduidelijke opdracht naar een brandhaard stuurt. Militaire middelen zijn geen Haarlemmerolie, zij zijn geen panacee voor alle kwaad. Maar er zijn situaties, waarin dit het enige middel is om ordening aan te brengen. Het succesvol optreden van de SFOR-troepen in Bosnië toont dit ook aan.

Er is dan ook geen enkele reden voor Nederland om zijn ambitieniveau bij te stellen. Dat neemt niet weg dat men lering moet trekken uit de gemaakte fouten. Nederland behoeft, als het gaat om de deelname aan vredesoperaties, geen gidsland te zijn. Wij zijn geen Europese grootmacht en moeten onze eigen rol niet overschatten. De Nederlandse bijdrage kan dan ook slechts aanvullend zijn in samenwerking met andere bondgenoten.