Tewerkbaarheid

DE MODELLEN om de werkloosheid te bestrijden, rollen over elkaar heen in de Europese hoofdsteden. Volgende maand wijdt de Europese Unie in Luxemburg zelfs een ingelaste top aan bevordering van de werkgelegenheid. Met naoorlogse recordaantallen mensen zonder baan in Europa, en met de komst van de Europese munt voor de deur, is het niet te vroeg dat de Europese politieke leiders zich buigen over verbetering van de werking van de arbeidsmarkt.

Ook al lijkt de aanpak met kwantitatieve streefcijfers zoals de Europese Commissie heeft voorgesteld, een verre echo van een afgeschreven planeconomie.

Dwars door Europa loopt een Maginot-linie die de sociaal-economische opvattingen scheidt. Aan de ene kant staan de versoepelaars, voorstanders van grotere flexibiliteit van arbeidsmarkten. Aan de andere kant bevinden zich de regelaars die met voorschriften de werkloosheid te lijf willen gaan.

Toevallig kwamen deze twee standpunten vorige week treffend naar buiten. In Scheveningen hield minister Wijers (Economische Zaken) zijn Employability-festival, een lofzang op de flexibiliteit van de arbeidsverhoudingen en op investering in de vaardigheden van de moderne werknemers. Werknemers, werkgevers en overheid hebben een verantwoordelijkheid om te zorgen voor permanente scholing ter verbetering van de inzetbaarheid van de factor arbeid. Premier Kok kwam zelfs een waarheid verkondigen die fabrieksarbeiders uit de jaren dertig en begin jaren tachtig zich nog maar al te goed herinneren: er bestaan geen banen voor het leven. Alsof het was afgesproken lekte in dezelfde week een voorstel uit van Philips om zijn werknemers te prikkelen tot permanente plooibaarheid. De Industriebonden staan er welwillend tegenover.

IN ROME EN PARIJS klonken heel andere geluiden. De Italiaanse regering van premier Prodi was bereid tot verregaande concessies aan de communisten van de harde lijn om de coalitie te redden. Het ging om toezeggingen om de 35-urige werkweek in te voeren, banen met overheidsgeld te scheppen en om het pensioenstelsel minder te hervormen. Dat uiteindelijk de communisten hun hand overspeelden en Prodi zijn ontslag indiende, doet aan de richting van het sociaal-economische gedachtengoed niets af.

Frankrijks premier Jospin ging nog een stap verder. Als uitvloeisel van zijn verkiezingscampagne had Jospin een nationaal debat over de bestrijding van de werkloosheid beloofd. Deze bijeenkomst, afgelopen vrijdag in Parijs, werd geen Franse kopie van de consensus in de Nederlandse Stichting van de Arbeid. Aan het slot van de conferentie kondigde Jospin onverwachts aan dat een 35-urige werkweek in 2000 wettelijk zal worden vastgelegd. De aanwezige vertegenwoordigers van de werkgevers voelden zich belazerd, die van de werknemers bekocht omdat Jospin de vakbondseis van behoud van salaris bij korter werken niet uitdrukkelijk overnam.

Aan de andere kant van de Rijn, in Duitsland, is het debat over bevordering van de werkgelegenheid verzand in de patstelling tussen de regeringscoalitie van CDU/CSU en FDP en anderzijds de SPD over hervorming van de verzorgingsstaat.

DE EUROPESE banenmachine hapert al jaren, in de meeste landen staat tegenover een bescheiden banengroei in de collectieve sector een stagnatie of zelfs absolute daling van de banen in de particuliere sector. De oorzaken zijn al heel vaak onderzocht en hebben direct te maken met starre arbeidsmarkten, de opbouw van de verzorgingsstaat, de institutionele vormgeving van de lastendruk en bovenal met de coalitie van onwil om te hervormen. Het bescheiden succes van de Nederlandse banenmotor toont aan dat het wel degelijk anders kan binnen de context van een Europese verzorgingsstaat. Alleen vraagt dat bereidheid om de gevestigde sociaal-economische arrangementen te herzien. Die bereidheid lijkt in delen van de Europese Unie waar 'oud-links' zichzelf niet hervormd heeft, lelijk op zijn retour.