Peter Pontiac van Kralingen naar Lowlands

“Ik heb altijd buiten de mainstream gestaan en nu ben ik opeens de beroemde striptekenaar. Het voelt als een groot misverstand”, zegt Peter Pontiac. Zaterdag kreeg hij de Stripschapprijs 1997.

Peter Pontiac Review, delen 1 en 6: ƒ 35,-, delen 2 t/m 5: ƒ 25,-

BREDA, 13 OKT. Vreugde, verlegenheid en verbazing wisselen elkaar af bij Peter Pontiac, die zaterdag in het Turfschip te Breda de Stripschapprijs 1997 in ontvangst nam. “Het is wat surreëel”, zegt de 46-jarige tekenaar een uur na de uitreiking. We zitten in een kamer naast de toiletten, verstopt in de gangen van het zalencomplex.

Beneden drommen duizenden bezoekers van de Stripdagen 1997, een beurs voor lezers en verzamelaars, voor de stands met albums en hebbedingetjes, waar ook Pontiac wordt verwacht voor signeersessies. “Maar ik zit eigenlijk liever hier dan beneden 'lekkere wijven' te tekenen”, zegt de prijswinnaar. Hij tipt zijn sigaret af op een lege stoel naast de zijne. Geamuseerd: “Er komen soms mensen voor je staan: hallo, mijn naam is Eikeleboom, kunt u even iets leuks tekenen met een eikel?”

De meesten kennen hem ook helemaal niet, zegt hij. “Ik ben hier een betrekkelijk marginale figuur.” Als tekenaar en illustrator, onder andere voor deze krant, werkt Pontiac wel “in het strip-idioom”, maar dat maakt hem nog niet het prototype van de striptekenaar. “Ik heb altijd buiten de mainstream gestaan en nu ben ik hier opeens de beroemde striptekenaar. Het voelt als een groot misverstand. Het zou me niet verbazen als straks wordt omgeroepen dat er een vergissing in het spel is: wie was u ook alweer?”

Maar de tekenaar is wel degelijk vereerd met de prijs. “Ik heb een redelijk ontwikkeld gevoel voor zelfkritiek”, zegt hij, met een even redelijk gevoel voor understatement. “Ik doe nog steeds zwetend afstand van een tekening als ik ermee klaar ben. Dus ik voel me wel gesteund door deze prijs. Ik vind het leuk. Het schraagt me.”

Peter Pontiac is een onorthodoxe 'striptekenaar'. In 1951 te Beverwijk geboren als Peter Pollman, verwierf hij zijn reputatie vanaf de jaren zestig in de prille Nederlandse underground. Hij maakte strips, illustraties, posters, en platenhoezen, geïnspireerd door Robert Crumb en andere Amerikaanse kunstenaars die met vorm en inhoud van hun tekeningen uit het keurslijf wilden breken van de officiële Comics Code, een ethische code van de uitgeverswereld die vastlegde wat mocht worden afgebeeld.

De toekenning van de prijs aan Pontiac voor zijn “volstrekt eigen bijdrage aan de Nederlandse strip” is voor het Stripschap, een vereniging van stripliefhebbers, een opmerkelijke stap. Een overeenkomst met de Nobelprijs voor de literatuur, die dit jaar ook niet is toegekend aan een romancier of dichter maar aan een toneelschrijver? “Tja, en de Nobelprijs voor de vrede aan een dode prinses... Er zit wel een lijn in.” Met een vlakke hand veegt hij de as van zijn sigaret bij elkaar en loopt naar een prullenbak. “Hoe laat is het? Ik ga maar weer even het Colosseum in.”

De autodidact Pontiac, ooit afgewezen door de Rietveld Academie, ontwikkelde een onmiskenbaar eigen stijl, met een sterke beheersing van zwart-wit, en een oog voor details dat grenst aan horror vacui. In kleine kring maakte hij al in de jaren zeventig indruk, maar hij onttrok zich aan de wereld van stripalbums en weekbladen en werd gaandeweg een cult hero voor de underground-liefhebbers. Pas de laatste jaren kan ook een breder publiek met hem kennismaken, door de publicatie van gebundeld werk in de 'Pontiac Review' waarvan totnutoe zes delen verschenen, gerangschikt rond autobiografische thema's.

Is dat nog 'underground'? “Ach, dat is een uitgehold begrip geworden. Hoewel het nog wel handzaam is om een bepaald type strips te omschrijven die niet direct familiestrips zijn, maar ook iets anders dan 'strips voor volwassenen', waarbij je meteen weer aan seks denkt.”

Volgens de jury van de Stripschapprijs weet Pontiac vooral “de tijdgeest goed weer te geven”, van de hippe sixties tot de punks van de jaren tachtig. Hij illustreerde, onder veel meer, de hoes van de eerste bootleg van Bob Dylan in Nederland, tekende huiveringwekkende beeldverhalen over drugsverslaving en het leven aan de marge, en werd begin jaren tachtig als illustrator moeiteloos opgenomen door de punk- en kraakbeweging. “Mensen vinden het wel eens gek dat ik zo'n spagaat heb gemaakt, van hippies naar punk. Maar voor mij was het een heel logische overgang. Het waren beide bewegingen die zich afzetten tegen de nine-to-five samenleving.”

Als tekenaar van de Nederlandse jeugd- en subcultuur maakte Pontiac destijds deel uit van wat hij uitbeeldde. Hij leefde in een commune in Leiden en worstelde langdurig met een drugsverslaving. Dertien jaar geleden, bij de geboorte van zijn dochter, stopte hij en ontdekte tot zijn opluchting dat zijn artistieke productie niet afhankelijk was van roesmiddelen.

Maar ook nu maakt Pontiac een turbulente tijd door. Vrijwel gelijktijdig met de bekendmaking van de Stripschapprijs werd zijn moeder opgenomen in het ziekenhuis. Ze overleed onlangs. De ervaring is nog rauw voor Pontiac. “Het was ook bizar. Ik werd afwisselend gebeld door opgewonden journalisten en door kennissen die me wilden condoleren. De ochtend na haar overlijden had ik een radio-interview in Arbeidsvitaminen. Een vreemde yin-yang situatie.”

En de huidige jeugdcultuur? Dit jaar bezocht Pontiac voor het eerst het muziekfestival Lowlands, waar hij zich staande moest houden tussen beukende house- en jungle-ritmes. Hij deed verslag van zijn ervaringen in Lost in the Lowlands, dat inmiddels is uitverkocht. “Er waren momenten dat ik erin wilde opgaan. Maar ik dacht ook vaak: dit is een zomerkamp voor spoiled young brats, wat doe ik hier? Maar ja, ik ben niet zo'n festival-mens, dat merk je hier ook weer. Bij Kralingen in 1970 hield ik me twee dagen schuil in een bosje. Al die hippe mensen bij elkaar... Ik kreeg opeens een groot verlangen naar wat grijze burgermensen bij een bushalte.”