Oorlogsinstituut zet de vensters open

De recente verhuizing van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie naar een nieuw pand verschaft in velerlei opzicht meer ruimte: voor bezoekers, voor een nieuwe generatie onderzoekers, en voor nieuwe oorlogen. Ruimte voor de wereld na goed en fout.

Op de tentoonstelling die het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) bij de opening van zijn nieuwe pand aan de Herengracht 380 in Amsterdam op de begane grond heeft ingericht, hangt een foto van Loe de Jong uit de beginjaren van het instituut waarop de geschiedschrijver een zekere gelijkenis vertoont met de jonge Clark Gable.

De schrijver, met snor, is dan nog niet de bekende auteur van het grote geschiedwerk over de bezettingstijd. Veeleer is hij bekend van Radio Oranje in Londen, maar dan als vertrouwde stem zonder gezicht.

Op de foto uit 1947 poseert (dan nog drs.) Loe de Jong als de kersverse directeur van Oorlogsdocumentatie. Hij ziet er opvallend ongekreukt en monter uit, nog onbelast door het gewicht van de verantwoordelijkheid die hem tien jaar later op de schouders zal worden gelegd. Voor een man die alle zevenentwintig delen van zijn levenswerk nog voor de boeg heeft, kijkt hij zelfs tamelijk opgewekt en ontspannen. Maar gegeven de hoeveelheid kwellende papieren die hij dagelijks onder ogen kreeg, moet dat toch voor een deel schijn zijn geweest - met uitzondering wellicht van een korte periode van intense ontspanning, die op het instituut ook wel bekend stond als het dagelijkse herdersuur van de directeur. Toegevend aan een eerlijkheidsdrang die vermoedelijk samenhangt met de psychoanalyse die hij in die tijd onderging, rakelt De Jong een tijdelijk ontwrichtende kantoorliefde uit de jaren vijftig op in het tweede deel van zijn Herinneringen (SDU, Den Haag, 1996).

Jammer genoeg gaat de fototentoonstelling voorbij aan de ontstaansgeschiedenis van De Jongs monumentale werk over het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, die een hoogst belangwekkend verhaal op zichzelf vormt. De Jong had een diabolische werkkracht, die hem in staat stelde meer dan twintig jaar aan één stuk door te schrijven, tussen de bedrijven door lijvige voortgangsrapporten over zijn vorderingen te maken, duizenden boeken te lezen en tienduizenden fiches met systematische aantekeningen te maken, daarbij ook nog het overzicht op de oorlogvoering en de hoofdmomenten van de bezetting te behouden en ten slotte, vrijwel zonder uitzondering, ook nog goed geschreven verhalen te produceren.

Maar De Jong schreef alle delen van zijn grote werk niet alleen. Een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek dat voor zijn werk gedaan moest worden, werd door de staf van het instituut verricht. In de jaren waarin De Jong zijn geschiedwerk schreef, was die staf een soort persoonlijke braintrust: een wetenschappelijke kloosterorde die de auteur-directeur meer dan dertig jaar dagelijks met raad en daad ter zijde stond bij de vervaardiging van zijn reusachtige werk.

In stukjes en beetjes heeft De Jong die voorgeschiedenis zowel in het geschiedwerk als in zijn Herinneringen wel beschreven (men moet hem nageven dat hij nooit karig is geweest met het verstrekken van autobiografische gegevens), maar over de inbreng van de stafmedewerkers Sijes, Van der Leeuw en In 't Veld, stuk voor stuk belangrijke historici op hun eigen terrein, zou veel meer te vertellen zijn. Zoals ook over de gewijde sfeer op het oude adres Herengracht 474 voor het nageslacht zou moeten worden vastgelegd. “Ik had mijn staf verzocht mij, tenzij er belangrijke kwesties waren, 's morgens niet te storen”, schrijft De Jong in zijn Herinneringen (II). De staf legde dat verzoek zo absoluut uit, dat De Jong 's ochtends niet alleen met rust werd gelaten, maar dat er in die uren in het gebouw ook zo min mogelijk werd gesproken. Ik heb zelf meegemaakt dat Sijes mij op een ochtend voorging naar zijn kamer en een vinger op zijn mond legde om mij duidelijk te maken dat ik op de gang geen geluid moest maken. Na een zacht 'sssttt' volgde de verklaring: “Loe schrijft!” En als Loe schreef, waagde zelfs Ben Sijes geen kik te geven.

Nieuwe generaties bezoekers en aspirant-studenten in de geschiedenis kunnen die sfeer aan de hand van de Herinneringen wel reconstrueren, maar het is niet waarschijnlijk dat deze over een aantal jaren nog in de boekhandel verkrijgbaar zijn. Een videozuil in de studiezaal van het RIOD, waarop de Grote Schrijver aan het werk te zien is, zou daarvoor een mooi alternatief zijn, zoals er mooie historische opnamen bestaan van Churchill die memoranda dicteert in de War Room en van Marconi die door een geluidshoorn met zijn medewerkers op kantoor communiceert.

Het RIOD had zich in heel Amsterdam geen passender historische behuizing kunnen kiezen dan het voormalige gebouw van de 'Staatsschuld' aan de Herengracht, een paar honderd meter van de plek waar het de afgelopen vijftig jaar gezeten heeft. In het oude pand van Financiën (voluit: Agentschap van het Ministerie van Financiën en Directie van de Grootboeken der Nationale Staatsschuld) zetelde in de oorlog niet alleen de Deutsche Bank, maar na de oorlog ook het Amsterdamse Tribunaal van de Bijzondere Rechtspleging. Later werden er ook de zaken van het naoorlogse rechtsherstel behandeld. Zoveel samengebalde geschiedenis zat zelfs samen nog niet in de twee oude gebouwen waarin het RIOD eerder gehuisvest was.

Het 50-jarige instituut (sedert 1947 Rijksinstituut, daarvoor twee jaar Rijksbureau) is intussen al lang niet meer het onderzoeksinstituut dat het was in de jaren van De Jong. Het heeft zich strategisch vernieuwd en het richt zich en passant ook op jongere klanten. In het nieuwe pand worden nog net geen video's van films en tv-documentaires over de bezetting verkocht, maar die service zal er eerstdaags ook wel komen. Internet is in elk geval geen vreemde planeet meer en op de eigen Website (www.riod.nl) die het instituut daarop heeft, zijn alle gegevens te vinden over de collecties die het beheert (boeken, archieven, foto's), over het lopende Srebrenica-onderzoek dat onder de paraplu van het RIOD wordt uitgevoerd, over de jaarboeken die het uitgeeft en over de internationale projecten waaraan het meewerkt.

Ook in de traditionele dienstverlening is het instituut met zijn tijd meegegaan. Wie informatie zoekt over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, hoeft geen trappen meer te klimmen in het oude gebouw om daar de bibliothecaris in zijn uithoek op te zoeken, maar wordt nu op de begane grond door computers en medewerkers van de studiezaal op zijn wenken bediend.

Wie informatie wil hebben over de knokploeg van de illegaliteit waarin zijn grootvader actief was, wordt veelal per omgaande geholpen. Wie iets over de andere kant wil weten (bijvoorbeeld in verband met een grootvader die bij de NSB was) moet wat meer geduld hebben. Dan wordt men niet zonder meer geholpen. De aanvrager moet kunnen aantonen bij het verkrijgen van die informatie een redelijk belang te hebben.

Maar overigens heeft het RIOD in het nieuwe gebouw weinig nagelaten om de drempels voor het publiek te verlagen. In het oude gebouw (of liever de twee gebouwen waar men vaak van het kastje naar de muur liep) wilden bezoekers nog wel eens last hebben van het bedremmelde gevoel dat zij een tempel waren binnengestapt.

Het nieuwe pand is geheel vrij van die sacrale kenmerken. Het is een open gebouw waar men gemakkelijk binnengaat. De studiezaal is een schoonheid van een ruimte die met uitgekiende middelen is ingericht en die door een tot op de grond lopende glazen koepel een aangename hoeveelheid daglicht binnenkrijgt. Wie weleens in het oude gebouw lang in duffe zolderkamertjes heeft moeten pennen, kan zijn geluk over het nieuwe comfort niet op: ruime, halfronde schrijf- en leestafels, efficiënte tafellampen en beeldschermen met behulp waarvan bezoekers snel wegwijs worden in de bibliotheek en het archief.

Het RIOD heeft de opening van het nieuwe gebouw aangegrepen om de toegankelijkheid en de dienstverlening van de centrale archief- en documentatie-instelling voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Nederland uit te breiden, maar ook om zijn strategische oriëntatie opnieuw te definiëren.

Dat laatste was hard nodig, want na de afronding van De Jongs geschiedwerk in de jaren tachtig (De Jong was al in 1979 met pensioen gegaan) was het RIOD een tamelijk eenzelvige en zwalkende club van hobbyisten geworden. Het had ook geen duidelijk profiel meer. De door de regering ingestelde commissie-Kossmann velde in maart 1996 het scherpe oordeel dat het wetenschappelijk profiel van het RIOD “momenteel, zeker in vergelijking met een aantal jaren geleden, tamelijk onscherp is”. Zulke kritiek was in 1992 al eens geleverd door een door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen ingestelde evaluatiecommissie-Daalder. Een derde kritisch rapport zou het instituut waarschijnlijk niet hebben overleefd.

Opheffing, waarvoor in de jaren zeventig vergeefs de messen in Den Haag waren geslepen, werd zelfs weer een reële optie. Maar met de benoeming tot directeur van de historicus professor Hans Blom keerden de kansen voor het RIOD. De regering was zelfs bereid het Instituut extra geld te geven, op voorwaarde dat de onderzoeksterreinen van de jaren 1940-'45 worden uitgebreid tot de Eerste Wereldoorlog en tot Nederlands-Indië vóór, tijdens en na de Japanse bezetting en dat de internationale samenwerking met vergelijkbare buitenlandse onderzoeksinstituten wordt geïntensiveerd. Onder die, ten dele organisatorische, voorwaarden lijkt het voortbestaan van het RIOD weer voor jaren veiliggesteld.

Het RIOD is en blijft de vraagbaak bij uitstek voor de geschiedenis van de bezettingsjaren, zoals het dat in het verleden was, maar het nieuwe RIOD, waarin een jongere generatie het bewind voert, wil niet meer het 'moreel geweten' van Nederland zijn, zoals in het tijdperk-De Jong.

De nieuwe generatie oorlogswetenschappers staat verder af van een moralistische benadering van de oorlogsperiode “zonder daarmee het morele aspect te veronachtzamen”, zoals de commissie-Kossmann signaleert.

Het nieuwe RIOD zal neutraler zijn dan het oude, maar ook minder politiek. Het zal daardoor ook minder te vrezen hebben van de politiek dan het RIOD van L. de Jong.