Muziek van Ketting is overrompelend

Festival in de Branding. Gehoord: 8-10/10 Koninklijk Conservatorium, Korzotheater en Anton Philips Zaal Den Haag. T/m 18/10 Anton Philipszaal en Lucent Danstheater Den Haag.

Otto Ketting, aan wie het Haagse festival in de Branding is gewijd, manifesteerde zich aanvankelijk in het idioom van de Schönberg School, passend bij zijn generatie (1935). In de Werkplaats Kindergemeenschap aan de Jan Steenlaan te Bilthoven vertolkte in 1957 pianiste Ria Groot tijdens een Gaudeamus-concert Kettings Komposition met zwölf Tönen. Dit leidde er toe dat men zijn naam spelde als Kätting, want deze componist moest wel een Duitser zijn.

In de beheersing van het orkestrale apparaat had Ketting zijn gelijke niet, zeker niet onder zijn leeftijdgenoten. De eveneens op 22-jarige leeftijd begonnen Due Canzoni, als een vroege Webern, en de direct erop volgende Eerste symfonie, meer schatplichtig aan Alban Berg, klonken als een klok. Blijf je bij het eerste toch enigszins afstandelijke werk, hoe knap gemaakt ook, vuurtdurend aan Webern denken, in de symfonie is van epigonisme geen sprake. In de uitvoering door het Nederlands Balletorkest trof woensdag de vlijmscherpe sfeertekening en vooral authentieke geladenheid.

Ketting houdt op onhollandse wijze niets achter en ook het Balletorkest wenste zich niet te sparen. Dat leidde tot een overspanning in Matthijs Vermeulens voor het eerst volledig uitgevoerde muziek bij Nijhoffs waterfeestspel De Vliegende Hollander. De Cortège klonk nu meer stoer dan elegant en de balans met het Nederlands Theaterkoor raakte erdoor verstoord. Overigens vond ik dit aandeel in de nog niet eerder uitgevoerde Proloog het meest boeiend.

De volgende dag waren er drie muziektheaterstukken op Readers Digest-achtige libretti. Eerst het swingende A hand of bridge van Samuel Barber en vervolgens het als een complement opgezette O, Gij Rhinoceros van Otto Ketting. Deze collage naar antiquarisch materiaal uit het midden van de vorige eeuw met vaderlandse liederen en pikante sketches is vooral hilarisch omdat de teksten maar niet geestig willen worden. Hoe komt het toch dat al in De Lach van pakweg 1950 niets meer te lachen valt?

Lettre de cachet van Hans Koolmees naar brieven van Markies de Sade mag dan een soortgelijke bezetting hebben en in zijn korte scènetjes aanvankelijk dezelfde lichte toets suggereren, dit werk behoort toch in een andere categorie. De vijfde veel te lang uitgesponnen scène brengt een apotheose in de stijl van Louis Andriessens De Materie, opzwepend in steeds hoger klimmende intervallen en weer afebbend in de laatste zesde scène voor trompet en trombone. Op zich geen slechte muziek, maar het werkt wel als een kind met een waterhoofd.

Vormproblemen kent Ketting niet, zo bleek op het uitstekend voorbereide concert door het Residentie Orkest onder George Pehlivanian. De Symfonie voor saxofoons en orkest uit 1977-78 werd hier onder de noemer The Balinese Connection gecombineerd met Colin McPhee's Tweede symfonie 'Pastorale'. McPhee en Ketting zijn verwant in asentimentele lyriek de gelijke minimalistische opzet, maar daarmee hopudt het op. Ketting trekt zich niet met klauwende vingers op aan het minimalisme, zoals veel van zijn collega's, het is voor hem niet meer dan een bruikbaar slim procédé. Ketting heeft uiteindelijk weinig met McPhee gemeen, waar hij de geladenheid uit de Eerste symfonie heeft weten te behouden, terwijl McPhee zó in de new age-platenbakken terecht kan.

Hoewel Ketting strenge technieken toepast, is de totale indruk overrompelend spontaan, zelfs soms free jazz-achtig. Opmerkelijk is voorts dat Bergs 'adem' nooit ver weg is. Kettings oeuvre speelt zich af tussen de polen van het Amerikaanse understatement en een Midden-Europese grandeur. Op zich is dat niet zo bijzonder, wel dat deze polen kunnen worden verenigd binnen één enkel werk.