Kleurloze gesprekken met beroemdheden

Toen hij zijn meterslange manuscript inleverde bij de uitgeverij, zei hij erbij: “Er wordt niets geschrapt. Waarom niet? Omdat het door de Heilige Geest is gedicteerd.”

Wie is de schrijver in deze anekdote? Mulisch? Reve? Kerouac? Grass?

Ik verdenk u ervan dat u zult zeggen: Mulisch.

Mis.

Het was Kerouac, en de anekdote was afkomstig van zijn uitgever Giroux die haar vertelde in een portret dat de BBC zaterdag van Kerouac uitzond. De katholiek opgevoede Kerouac noemde zich uiteindelijk liever een katholiek dan een beatnik.

Er was dit weekeinde veel literatuur op de tv. De BBC zond ook nog een anderhalf uur durende documentaire over Camus uit, en de Nederlandse en Duitse tv eerden respectievelijk Harry Mulisch (in De Plantage) en Günter Grass vanwege hun zeventigste verjaardag.

Eren: dat is het toepasselijkste woord. Uitzendingen over zulke coryfeeën plegen een ietwat plechtig, geheiligd karakter te krijgen.

Twee uur televisie met Mulisch en Grass: dat zou toch heel wat citeerbare uitspraken moeten opleveren. Over 'de oorlog', over controversiële politieke standpunten, over de rol van de literatuur, over het privé-leven. Helaas. Wat ik heb genoteerd, kan op één velletje.

Mulisch hoorden we tegen Hanneke Groenteman overbekende dingen vertellen over zijn jeugd, zijn collaborerende vader, zijn joodse moeder, zijn vriendinnen die hem onderhielden. Hij was na zeventig jaar dezelfde die hij altijd geweest was. “Ik voel me precies zoals ik was toen ik tien was. Aan mijn zelfbewustzijn is niets veranderd.”

Het gefilmde interview met Grass bij het ZDF was zo mogelijk nóg kleurlozer. Er was ons een 'openhartig' interview beloofd, maar ook hier kwam de geïnterviewde niet veel verder dan het oplepelen van zaken die we uit zijn boeken en eerdere interviews al allemaal kenden. Zelfs de enorme aanvallen op zijn recente werk kwamen nauwelijks ter sprake. “Duitsers hebben moeite met hun houding tegenover beroemde schrijvers ”, zei Grass alleen. “Ze zweven tussen grenzeloze bewondering en jaloezie.”

Hoe komt het dat tv-gesprekken met zulke spraakmakende schrijvers zó weinig opleveren? Het moet met de houding van de tv-makers te maken hebben. Zij hebben, meer dan hun collega's van de schrijvende pers, de neiging tot een zekere onderdanigheid en pluimstrijkerij. “Ik ben ook maar een dweepziek meisje”, lachte Hanneke Groenteman terwijl ze Mulisch om een handtekening in haar exemplaar van Archibald Strohalm vroeg.

Het moet vooral gezellig en amicaal blijven: de tv-studio als plaatsvervangend theekransje. Alles wat de geïnterviewde in verlegenheid zou kunnen brengen, wordt weggemasseerd. Door een toeval - een gast bracht het ter sprake - kwam even de sleutelroman De herenclub van Max Pam over Mulisch en zijn cercle aan de orde. Wat vindt het slachtoffer, dat immers nogal belachelijk wordt gemaakt in dat boek, er zélf van? Er kwam geen vraag van die strekking.

Mulisch is vader van een zoon van vijf jaar, in wie hij al veel van zichzelf herkent. Hij zei dat hij er een andere band mee heeft dan met zijn dochters. Op dat moment had ik graag willen weten: voedt hij zijn zoon zelf op? Dat zijn de momenten waarop een interviewer moet toeslaan, wil hij voorkomen dat het gesprek verzandt in een spanningsloos babbeltje.

De tv doet zichzelf - en daarmee ook óns - vaak te kort. Men heeft betrekkelijk gemakkelijk toegang tot beroemdheden zonder er optimaal gebruik van te maken. Vorige week zag ik bij Paul de Leeuw een vijf minuten durend interview met de interessante Amerikaanse schrijver David Leavitt. Leuk, maar veel te kort.

Leavitt heb ik niet meer teruggezien op de buis. De volgende avond zag ik hem met collega Edmund White in Amsterdam in een flonkerend openbaar gesprek: over literatuur, aids (White vermoedt dat hij al vanaf het begin van de jaren tachtig seropositief is!), Europa en Amerika. Het had adembenemende televisie kunnen zijn.