HANS TIEMEYER 1908 - 1997; Idealistisch acteur

Hans Tiemeyer, die woensdag op 89-jarige leeftijd is overleden en vrijdag in stilte werd gecremeerd, was in veel opzichten een reusachtig acteur. Met zijn knoestige gestalte en zijn gruizige stem dwong hij respect af, maar hij kon zichzelf ook, als de rol dat vergde, deemoedig maken - zoals in de eerste Nederlandse uitvoering van Het dagboek van Anne Frank (1955), waarin hij als Van Daan op ontroerende wijze de geknakte trots liet zien van een man met oerkracht.

En ook als idealist maakte hij indruk, met zijn visie op de functie van het toneel: “Ik dacht: hoe kan ik ertoe bijdragen dat de mens voor zichzelf gaat denken? En ik vond het toneel de aangewezen weg.”

Als jongeman bezocht Tiemeyer eerst de zeevaartschool, maar het theater trok hem meer. In 1926 debuteerde hij als 'derde boer van links' in Peer Gynt bij het Schouwtooneel van Jan Musch. Hoewel hij daar twee jaar later wegens gebrek aan talent werd ontslagen, nam hij privé-lessen en zette door. Overal waar maar een rolletje te spelen was, greep hij die kans. Maar toen de Kultuurkamer in 1942 de toneelwereld tot volgzaamheid dwong, was hij één van de weinige acteurs die weigerden te tekenen. Hij kwam in het verzet terecht, werd gearresteerd en belandde in het concentratiekamp Dachau.

Pas na de oorlog, na zijn veertigste, werd Hans Tiemeyer de man die in het toneel de mogelijkheid zag het publiek tot denken aan te zetten. Hij schreef een aantal stukken, waarvan de kritiek soms opmerkte dat de humanistische boodschap het drama in de weg stond, en hij ijverde voor de oprichting van toneelgroepen in de diverse provinciehoofdsteden. Toen daaruit in 1953 de toneelgroep Theater in Arnhem voortkwam, liet hij de leiding echter liever aan anderen over. Wel was hij jarenlang als acteur aan Theater verbonden. Daarnaast was hij onder meer de drijvende kracht achter het vermaarde Jeugdfestival in Velp, dat jongeren in aanraking moest brengen met de kunst.

Graag zag Tiemeyer zichzelf als 'een acteur met hersens', in tegenstelling tot sommige van zijn generatiegenoten die zich bij voorkeur door hun theater-instinct lieten leiden. Elke rol, ook de kleinste en ook de luchtigste, stond voor hem in het teken van de overdracht van kennis en inzicht. Toen hij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, in 1972, nam hij weldoordacht afscheid: hij vond dat het toneel toe was aan andere vormen, maar vond zichzelf te zeer een acteur van de oude stempel om daaraan nog iets te kunnen bijdragen.

Drie jaar geleden, toen het weekblad Elsevier ten onrechte meldde dat hij al overleden was, gaf hij in een ingezonden brief blijk van zijn onverflauwde liefde voor het toneel: “Ik weet dat in de loop van de historie het toneel veel dieptepunten heeft gehad, maar ondanks alles blijf ik overtuigd van de blijvende waarde van het toneel en zeer zeker ook van de noodzaak van de katharsis, zeker in deze tijd. Ook over dit dieptepunt zal het herrijzen.”