Grote en kleine bah

Het academisch jaar is weer begonnen. De studenten zijn terug. Dat kun je duidelijk merken in de wc's. De bril is weer beplast, er wordt niet doorgetrokken, de papieren handdoeken liggen naast de afvalbak en de wc-deur blijft weer open staan. Het lijkt een ongebruikelijk studieterrein voor menselijk gedrag, maar in sociologie en literatuur heeft het vaker de aandacht gehad.

Zo blijkt uit de oorlogsmemoires van de omstreden Weinreb, dat hij zijn celgenoten in de eerste plaats schatte op de manier waarop zij van de 'ton' gebruikmaakten. En een in een Amerikaans academisch milieu spelende roman van Malamud moest een docent het instituut waar hij werkte verlaten, toen de collega's constateerden dat hij zijn handen niet waste na het gebruik van de wc. Na lezing van dat verhaal ben ik op mijn eigen Sociologisch Instituut zelf eens vermanend opgetreden tegen Alwin Gouldner. Deze befaamde socioloog, in Amerika waarschijnlijk gewend zijn handen te drogen aan een papieren handdoek, liet, na gebruik van de wc, de katoenen handdoek, die hier naast de wasbak hing, gewoon op de grond vallen. Met zeep schreef ik daarom op de spiegel 'put that towel back, Alwin' en toen het nog eens gebeurde, 'You did it again, Alwin'. Gouldner schreef woedend op de spiegel dat hij niet op anonieme opmerkingen wenste te reageren, maar zijn handdoekgebruik werd 'beschaafder'.

Maar waarom gooide Gouldner de handdoek op de grond? En waarom rapen studenten de papieren handdoek die naast de bak is gevallen niet op? Omdat die handdoeken zo gauw ze gebruikt zijn, vies geworden zijn evenals de grond waarop ze vallen. Want plassen en poepen is weliswaar noodzakelijk maar ook vies. Zijn we immers niet allen opgevoed met een zekere schaamte voor een 'grote of een kleine bah'. In het sociale verkeer wordt het gebruik van de wc dan ook met verhullende termen aangeduid. De term 'toilet' is voor velen al te expliciet. Men vraagt liever 'waar men zijn handen kan wassen'. Wanneer in een samenleving gekeken wordt wie de laagste status heeft dan zijn dat altijd de mensen die met het vuil van anderen in aanraking moeten komen. Zo dankt in een klassieke Amerikaanse studie van de socioloog Ray Gold de conciërge van een appartementencomplex zijn lage status aan het feit dat hij 'hun' vuil ('their trash, the garbage') op straat moet zetten. Want, zegt Gold, “work is dirty when society defines it as such, that is, when society defines it as being necessary but undesirable or even repugnant.” De conciërge deelt dit treurige lot met de vuilnisman, die ook in Nederland nog steeds onder aan de sociale ladder wordt gesitueerd. In landen als India en Pakistan behoren vuilruimers zelfs tot de laagste kasten. Het contact met de menselijke ontlasting maakt de vuilruimer daar 'onaanraakbaar'. Kijk, hier komen we in de richting van een verklaring. Alles wat met de wc te maken heeft is eigenlijk onaanraakbaar. De bril moet je niet optillen. De deurklink van de wc raak je niet aan. De kraan van de wastafel laat je liever openstaan. Het gebruikte papier laat je liggen. Maar zult u zeggen, met de bewustwording van de 'grote of de kleine bah' worden mensen toch ook opgevoed tot een beschaafd gebruik van de daarvoor beschikbare faciliteiten. En is de huidige generatie dan minder gevoelig voor hygiëne dan eerdere generaties? Integendeel de huidige jeugd is geïnteresseerder in reinheid dan ooit. Schoon ondergoed, schone kleren, fris wassen, lekker geuren hebben een bij voortduring toenemende belangstelling. Maar tegelijkertijd moeten we paradoxalerwijze constateren, dat naarmate de mensen schoner worden, hun vuil vuiler wordt. En dat veroorzaakt voor dezelfde jeugd de groeiende 'onaanraakbaarheid' van de wc en van alles dat daar mee te maken heeft.