Dieren met zenders essentieel voor ecologie

Met stijgende verbazing las ik Frans van der Helms artikel 'Maak niet van elke zeehond en ijsbeer een zendamateur' in NRC Handelsblad van 1 oktober. Hij keert zich daarin tegen het aanbrengen van zendapparatuur op dieren in de vrije natuur.

Heeft Van der Helm wel eens geteld hoeveel recente onderzoeken gebaseerd zijn op individueel herkenbare dieren? Het zou kunnen dat hij in de verslagen daarvan het methoden-gedeelte overslaat en alleen de resultaten leest. Maar degenen die deze artikelen beoordeeld hebben doen dat niet. Als zij vinden dat er onvoldoende ethisch met de onderzochte dieren is omgesprongen, is dit een grond om het artikel erover te weigeren. De internationale wetenschappelijke vereniging van dieronderzoekers, de ASAB (Association for the Study of Animal Behaviour), heeft daarvoor strenge normen opgesteld.

Ik ben benieuwd of en waar deze normen volgens Van der Helm tekortschieten. Maar dat is nog niet alles. Ik voel me ook persoonlijk door hem aangesproken. Mede door mijn toedoen lopen en vliegen er op dit moment vele honderden door middel van kleurringen individueel herkenbaar gemaakte scholeksters rond. En binnenkort wil ik een aantal van hen met zenders uitrusten.

Ik schaam mij daar niet over, net zo min als ik mij schaam voor het plezier dat ik in mijn onderzoek heb. Alleen door dieren individueel herkenbaar en continu volgbaar te maken zullen wij in staat zijn de scholekstermaatschappij te doorgronden.

Maar is die kennis wel nodig, zo vraagt Van der Helm zich af. Wat mij betreft is die kennis net zo nodig of onnodig als de kennis dat de aarde om de zon draait en dat de genetische code in DNA-moleculen is vastgelegd. Toevallig kan ik zonder veel moeite bewijzen dat fundamenteel onderzoek aan de scholekstermaatschappij direct bijdraagt aan de bescherming van deze soort en de wadgebieden waarvan de soort afhankelijk is. Maar dit aspect staat pas sinds kort centraal en is dan ook niet de belangrijkste rechtvaardiging. Voor mij bestaat die rechtvaardiging uit het wetenschappelijke belang van de vraagstelling en de kwaliteit van het onderzoek.

Dierecologen zijn zich in toenemende mate bewust van de grote variatie tussen individuele dieren. En een stijgend aantal, onder wie ikzelf, gelooft dat dit alleen te begrijpen is na onderzoek aan individuele dieren. Als het aan Van der Helm ligt wordt deze wetenschappelijke vernieuwing in de dierecologie nu de kop ingedrukt om ethisch en esthetisch voorop te lopen.

Net als Van der Helm geniet ik bijzonder als ik alleen kan ronddolen in zo natuurlijk mogelijke natuur. Maar de grootste dreiging komt daar niet van onderzoekers die proberen te begrijpen hoe die natuur werkt, maar van het toenemend menselijk beslag op ruimte en natuurlijke hulpbronnen als gevolg van een almaar groeiende wereldbevolking in combinatie met een toenemende consumptie per individu.

Simpel rapportjes schrijven zonder aanvullend onderzoek zet geen zoden aan de dijk. Belangrijker nog: elk toegepast onderzoek (al of niet met gezenderde dieren) naar de mogelijkheden om de negatieve menselijke effecten op de natuur te beperken blijft gerommel in de marge zolang die fundamentele dreiging niet wordt afgewend.

Persoonlijk ben ik ervan overtuigd dat de mensheid om te beginnen haar dierlijke oorsprong onder ogen moet durven zien. Pas dan kan de mens doen wat nog geen diersoort gelukt is: zelf de populatiegroei stoppen voordat alle groeimogelijkheden volledig zijn benut. Frans van der Helm heeft daar in eerdere stukjes al veel toe bijgedragen. Het is jammer dat hij zijn mooie staat van dienst op dit gebied nu besmeurt met een slecht geïnformeerd artikel vol ongefundeerde verdachtmakingen.