Concert De Raaff blijft intrigeren

Concert: Radio Kamerorkest o.l.v. Peter Eötvös. Werken van Varèse, Keuris, Harvey en De Raaff. Gehoord 11/10 Concertgebouw Amsterdam. Uitz. : Radio 4 22/10 20.02 uur. Opname voor uitzending op Nederland 3.

“In de lucht hangt een affiche voor Oléo margarine”, zingt de sopraan in een typische twintigerjarentekst in zakelijk surrealistische stijl, adequaat getoonzet door Edgar Varèse in het tweede deel van zijn Offrandes (1921), zaterdag de opening van de Matinee in het Amsterdamse Concertgebouw. Het eerste lied is lieflijker, het slot biedt al een glimp van Boulez' cantate Le Soleil des Eaux, zo'n werk dat velen leerde dat Webern geen eind was maar een begin. Varèses tweede lied is persoonlijker en zo beleven wij de geboorte van een eigen stijl.

Hoewel Jonathan Harvey zijn Song Offerings in 1985 componeerde staat hij in wezen dichter bij de vroege dan dan de late Varèse. Het is overgecultiveerde muziek, om niet te zeggen glibberig impressionistisch in glinsterende cymbalen en fluisterzachte strijkersflageoletten. Aan mij is het niet besteed, maar Harvey's fijnzinnigheid bood sopraan Rosemary Hardy meer ruimte om een mooie klank te ontwikkelen dan Varèses krachtige koperinjecties.

Nog dankbaarder is Tristan Keuris' Tweede vioolconcert, gecomponeerd voor de vijftigste verjaardag van het Radio Kamerorkest en vóór deze eerste publieke uitvoering al op een cd gezet. Het werd Keuris' meest romantische concert in één voorstuwend cantabile. Zacht als boter klonk de viool van Yayoi Toda, wat een schitterend beheerste stokvoering wist zij te demonstreren in het Molto espressivo!

Het Double concerto voor klarinet, basklarinet en orkest van Robin de Raaff, dat hier eveneens in première ging, herinnert in zijn allesbehalve mollige instrumentatie weer eerder aan een rijpe Varèse, vol vindingrijke details zoals een in vibrafoon of marimba resonerend koper, of gewaagde glissandi op de hoogste noten van de klarinet en dubbel octaven in 'extended techniques' in de basklarinet, zeer besteed aan Harry Sparnaay. De solisten opereren in gelijk opgaande beweging als één pregnant instrument, terwijl het orkestrale kader is uitgewerkt als een soepel, dundoorschijnend gordijn in de strijkers die pianissimo spelen.

Vooral het begin is uiterst behoedzaam uitgewerkt, deel twee is grotendeels aan de solisten toevertrouwd en pas in de delen drie en vier besluit De Raaff de ruimte op te vullen met meer groteske, drukke figuraties. Het materiaal is misschien niet markant genoeg voor zo'n groots opgezet concert, maar terwijl Keuris het ene oor in en het andere oor uitgaat, blijft De Raaff je intrigeren.