Catz

Ieder weldenkend mens weet dat geen woordenboek compleet is. Toch is het soms verbazingwekkend welke woorden of betekenissen je er tevergeefs in opzoekt. Een befaamd voorbeeld betreft het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Dit is het grote wetenschappelijke woordenboek dat inmiddels 39 banden telt en dat volgend jaar, na 135 jaar stug doorwerken, voltooid zal zijn.

Alle maandnamen worden in dit woordenboek apart behandeld, behalve februari. Dit was nadrukkelijk wel de bedoeling want er wordt zelfs een keer naar verwezen (“zie nader bij februari”), maar de gebruiker zal tot de aanvullingsdelen moeten wachten voordat dit kan.

Er zijn veel redenen waarom woordenboeken incompleet zijn. In de eerste plaats is het volstrekte onzin om compleetheid na te streven. Het Nederlands heeft de handige eigenschap dat je makkelijk twee bestaande woorden aan elkaar kunt plakken om een nieuw woord te vormen dat even van pas komt. In de krant staan dagelijks tientallen van dit soort gelegenheidssamenstellingen. Het slaat nergens op om die ook allemaal in een woordenboek op te nemen, tenzij ze vaak voorkomen en onduidelijk zijn of zo succesvol dat ze een eigen leven gaan leiden.

Er zijn nog veel meer redenen waarom woordenboeken incompleet zijn. Vroeger weigerden woordenboekmakers om onwelvoeglijke woorden op te nemen, met als gevolg dat we juist van die woorden vaak geen benul hebben hoe oud ze zijn. Puristen weigerden om leenwoorden op te nemen en uit angst voor processen zijn vooral woordenboekuitgevers als de dood voor merknamen, ook als die als soortnaam worden gebruikt, zoals biogarde, walkman en boedelbak. En dan zijn er natuurlijk nog die woorden en betekenissen die domweg zijn vergeten, gewoon omdat het maken van een woordenboek mensenwerk is.

Waarom het woord catz nooit in onze woordenboeken is opgenomen, is niet bekend, maar het hoort er wel thuis. Catz is eigenlijk de naam van een bepaald soort kruidenelixer van de firma Catz en Zoon uit Pekela, maar het is ook gebruikt als soortnaam voor “jenever met kruidenelixer”. Het bedrijf is zo'n twintig jaar geleden opgekocht door Bols en voor zover bekend wordt het elixer niet meer gemaakt, maar de borrelnaam waart nog steeds in enkele Nederlandse dialecten rond, in verbasterde vormen als katske (in het westen van Noord-Brabant) en ketske (in de Achterhoek). Daarnaast is het onder andere gevonden als cats, catsie en catsje - alledrie ook wel met een k geschreven - en als katsku. Deze laatste vorm is in 1980 opgetekend in Oisterwijk.

De firma Catz werd aan het eind van de 18de eeuw opgericht door Heiman Cohen Catz (1754-1841), een Duitse jood die volgens sommigen zijn moederland was ontvlucht wegens de pogroms, maar volgens de familieoverlevering om een duel te ontlopen. Aanvankelijk combineerde hij de drankhandel met een drogisterij, later splitsten zijn nazaten het bedrijf op.

Met name in de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelde Catz en Zoon zich zeer voorspoedig. Het elixer won de ene internationale prijs na de andere en op het hoogtepunt had de firma vestigingen in Rotterdam, Amsterdam, Antwerpen, Californië en Batavia. Er verschenen ronkende reclamebiljetten, waarop Catz-elixer werd aangeprezen als “het zuiverste en gezondste maagbitter ter wereld”. “Het versterkt de maag, verdunt het slijm, bevordert den eetlust, smaakt bovendien zeer aangenaam, en wordt met goed gevolg bij alle ziekten aangewend, die uit slechte spijsvertering ontstaan.” Driemaal daags een half likeurglaasje Catz-elixer voor de maaltijd, dat is wat het bedrijf propageerde, en ook op zeereizen was het elixer 'onontbeerlijk'. Voor wie nog twijfelde: het elixer was onderworpen aan 'opzettelijk wetenschappelijk onderzoek' en het was daar 'zeer gunstig' uit naar voren gekomen.

Het publiek wilde wel en op den duur werd er onderscheid gemaakt tussen jonge, oude en lichte Catz, al naar gelang de concentratie elixer en de combinatie met oude of jonge jenever.

Het catsje is in onze literatuur opmerkelijk vaak bezongen. Speenhoff gebruikte de borrelnaam in 1918 in een liedje getiteld 'De stille zwabber':

Dan trekt-ie naar z'n bittertafel

En slokt z'n eerste borrel op;

Dan komt de trek naar 'n sigaret-

je

Naar zoute bollen of 'n peer

En bij z'n vijfde ouwe-katsje

Is-die de stille zwabber weer.

Kees Stip schreef in 1943 in Dieuwertje Diekema:

Dieuwertje schonk hem twintig Catsjes

de schipper dronk ze allemaal op

en toen hij er dertig had gedron ken

zag hij Dieuwertje op haar kop.

En Willem van Iependaal schreef in een gedicht over de bevrijding:

Tientjes die geen stuiver houen

Zwarte catzies bij de vleet!

Zware jongens! Ouwe knullen!

Hoki Poki in de keet!!

Met zwarte catzies zal hier “op de zwarte markt gekochte Catz” zijn bedoeld. Carmiggelt had het in 1965 over lichte cats en hoewel er nog vele andere bewijsplaatsen te geven zouden zijn, heeft het woord dus geen van de grote Nederlandse woordenboeken gehaald. Dit moet maar eens worden rechtgezet.