Amerikaans verkiezingssysteem leidt tot financiële wapenwedloop

Bill Clinton is in verschillende schandalen verwikkeld, maar die rond de campagnegelden is de ernstigste. Hoe langer die voortduurt, des te ernstiger wordt zijn gezag aangetast, vindt Juurd Eijsvoogel.

Geld is de moedermelk van de Amerikaanse politiek, zoals de Californische politicus Jesse Unruh (1922-1987) het eens uitdrukte. Als iemand met politieke ambities zich aanmeldt bij een van de twee grote partijen dan is de eerste vraag niet wat zijn politieke denkbeelden of plannen zijn, maar of hij wel aan voldoende geld kan komen om campagne te voeren.

Een goedgespekte campagnekas is ook voor de man die het hoogste ambt in het land bekleedt onontbeerlijk, besefte president Clinton in 1995 en 1996. Hij was vastbesloten om herkozen te worden en wierp zich dus met overgave op het inzamelen van fondsen. Hij schrok er niet voor terug om daar de macht en het aanzien van het presidentschap bij in te zetten.

Ontmoetingen met de president waren te koop. Het is als met de metro, zei een omstreden donateur met nauwe banden met China: je gooit er een muntje in en je krijgt toegang. Een ander, die 300.000 dollar gaf en vervolgens uitnodigingen ontving voor drie recepties en een diner met de president, vond zijn geld goed besteed. De volgende keer zou hij graag het dubbele neertellen.

In de Amerikaanse politiek is het te koop aanbieden van toegang tot vooraanstaande politici niets nieuws. Ook de Republikeinen stellen hun geldschieters in de gelegenheid om politieke leiders te ontmoeten. De kostbare verkiezingscampagnes, met hun spervuur van reclamespotjes en dagelijkse opiniepeilingen, vergen immers steeds meer geld en dat moet ergens vandaan komen.

Maar de ongeremde manier waarop de Clinton-Gore-campagne haar geldhonger probeerde te stillen was niet eerder vertoond. De president bemoeide zich intensief met de fondsenwerving. Hij stelde de Lincoln-slaapkamer van het Witte Huis voor donateurs beschikbaar. Hij maakte in zijn overladen schema met grote regelmaat tijd vrij voor koffiebijeenkomsten met donateurs, van wie sommigen een hoogst twijfelachtige reputatie hadden. En mogelijk, hij zegt het zich niet meer goed te herinneren, heeft hij per telefoon bemiddelde sympathisanten benaderd met verzoeken om financiële steun.

Voor veel Amerikanen is het geen prettige gedachte dat hun president zich in een dergelijke nederige positie ten opzichte van potentiële financiers begeeft. Maar voor het ministerie van Justitie, dat in de woorden van minister Janet Reno een intensief onderzoek naar de affaire instelt, is de enige vraag of de wet is overtreden. Het onderzoek richt zich nu op de telefoontjes: hebben ze plaatsgehad en zo ja, waren ze illegaal? De wet verbiedt het werven van fondsen in overheidsgebouwen. Maar valt het privé-gedeelte van het Witte Huis daar ook onder? En geldt deze regel uit de vorige eeuw ook voor telefoongesprekken met mensen die zich buiten het gebouw bevinden?

Reno kan besluiten tot een nader onderzoek, dat weer kan leiden tot aanstelling van een onafhankelijke aanklager. Maar de telefoontjes zijn eigenlijk van ondergeschikt belang. Ook als mocht blijken dat de president al telefonerend de wet heeft overtreden, dan is dat weliswaar niet goed te praten maar, zoals de politieke commentator Mark Shields laatst opmerkte, toch “het politieke equivalent van dubbel parkeren”. Nauwelijks een doodzonde dus.

Veel ernstiger zijn de aanwijzingen dat Clinton duldde dat buitenlandse financiers via stromannen invloed op zijn beleid probeerden uit te oefenen. Op de videobanden van koffiebijeenkomsten met geldschieters die het Witte Huis vorige week openbaar maakte, is weinig schokkends te zien. Het is vooral de late openbaarmaking van de banden, waar Justitie en het Congres al maanden naar hadden gevraagd, die het Witte Huis in een kwaad daglicht stelt. Maar ten minste één video-fragment werpt serieuze nieuwe vragen op, en wel die over Clintons relatie met het Indonesische Lippo-concern van de familie Riady. De band laat een Indonesische man zien die bij het voorstellen tegen Clinton zegt: “James Riady heeft me gestuurd.”

De man blijkt een niet bijzonder rijke tuinarchitect te zijn, die samen met zijn vrouw de onwaarschijnlijk grote donatie van 400.000 dollar heeft gedaan. Was hij een stroman van Riady, topman van Lippo? Heeft Lippo iets in ruil voor de bijdrage gekregen, en zo ja wat?

Een voormalige Lippo-employé, John Huang, staat al centraal in het schandaal, omdat hij eerst om onduidelijke redenen een hoge post op het ministerie van Handel kreeg en vervolgens als fondsenwerver van de Democratische partij veel illegale schenkingen binnenhaalde. Heeft Lippo, dat grote commerciële belangen in China heeft, de president onder druk gezet om zijn China-beleid te versoepelen, zoals sommige commentatoren suggereren?

Dit soort vragen moet beantwoord worden, want alleen al het vermoeden dat het Witte Huis zich openstelt voor beleidssuggesties van wie-maar-betaalt, doet afbreuk aan het gezag van het Amerikaanse presidentschap. Een ander soort vraag die beantwoord moet worden, is of het Amerikaanse volk de bestaande regels voor politieke fondsenwerving nog toereikend vindt. Volgens het Witte Huis komt de hele affaire van de campagnegelden voort uit een wet die corruptie in de hand werkt en dus nodig herzien moet worden. Maar ook wie dat verweer niet als excuus accepteert, kan oog hebben voor de tekortkomingen van het huidige systeem.

De onbeperkte bijdragen in zogeheten soft money, die officieel alleen gebruikt mogen worden voor de partij en niet voor specifieke kandidaten, leiden tot een financiële wapenwedloop. De wettelijke beperkingen die na het Watergate-schandaal aan politieke donaties zijn gesteld, worden door de mogelijkheid van soft money op grote schaal omzeild. Draagkrachtige belangengroepen kunnen met hun campagnebijdragen invloed kopen. Politici zijn voortdurend in touw om steeds grotere bedragen te werven. En de kiezers krijgen steeds meer het gevoel dat hun stem veel minder gewicht in de schaal legt dan de donaties van grote bedrijven.

Vorige week bleek dat er voorlopig onvoldoende politieke steun in het Congres bestaat voor een grondige hervorming van de regels voor fondsenwerving die grenzen zou stellen aan de geldinzameling. Tegenstanders van beperkingen op politieke donaties weten zich bovendien gesteund door de grondwet. Het Hooggerechtshof bepaalde 21 jaar geleden dat voor effectieve politieke meningsuiting geld nodig is. Daarom zou beperking van politieke donaties neerkomen op inperking van de vrijheid van meningsuiting. Sommige Republikeinen, onder wie Newt Gingrich, voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, bepleiten daarom alle regulering van campagnegeld af te schaffen.

Om de aandacht van zijn op hol geslagen geldinzameling bij de vorige verkiezingen af te leiden, heeft president Clinton zich nu opgeworpen als kampioen van de hervorming van campagnefinanciering. Geen gelegenheid laat hij voorbij gaan om te onderstrepen dat hij met het bestaande systeem wil breken. Clinton heeft zijn laatste verkiezingscampagne immers achter de rug, hij heeft de moedermelk niet meer nodig.

Hem wacht straks alleen nog het oordeel van de geschiedenis. En daarin zal de manier waarop hij zijn herverkiezing financierde, zeker verdisconteerd worden.