Als ze pygmee roepen zwaai ik terug

Voor een keeper ben ik vrij klein, 1.71 meter en nog wat. Fans van de tegenpartij herinneren me daar graag aan. Kabouter, dreumes, pygmee. Als ik in het doel sta, krijg ik dat soort dingen te horen. Het doet me niks, soms zwaai ik even naar ze.

Ik heb altijd op doel gestaan. Op mijn vijfde werd ik lid van een voetbalclub. Vrijwel meteen werd ik keeper, ik denk omdat ze al snel doorhadden dat ze als voetballer weinig aan me hadden. Ik was lui, niet het type dat als een gek achter de bal aanholde.

Destijds was ik niet kleiner dan de andere jongens. Met vijf zijn alle jongens even klein. Later bleek dat ik minder snel groeide dan de rest en dat ik als keeper aan de kleine kant was. Ik wist dat te compenseren door mijn reactievermogen, sprongkracht en voetballende kwaliteiten. Ik voetbalde mee buiten de zestien meter, wat destijds vrij bijzonder was.

Ik was goed en kwam in vertegenwoordigende elftallen. Op m'n veertiende ging ik naar PSV. Daar werd voor het eerst, vooral door toenmalig technisch-directeur Hans Kraay, een probleem van mijn lengte gemaakt. Ze hadden het over groeihormonen, maar daar wilde ik niet aan.

Achter Hans van Breukelen was ik jarenlang tweede doelman bij PSV. Bij invalbeurten keepte ik vaak goed, maar journalisten schreven alleen maar over mijn lengte en die ene bal die ik misschien had kunnen hebben als ik langer was geweest. Vroeger vond ik dat frustrerend, nu denk ik: laat ze schrijven wat ze willen schrijven.

Sommige clubs selecteren jonge keepers in de eerste plaats op lengte. Waanzin. Kleine keepers kunnen hetzelfde niveau halen als lange keepers, vooral sinds door spelregelwijzigingen het voetballend vermogen van keepers belangrijker is geworden. Natuurlijk moet ik flink springen om die lat op 2.44 meter te raken, maar ik haal 'm wel.