Weg met de holle frasen; Socioloog Wout Ultee wil alles toetsen

Overmorgen krijgt Wout Ultee de Dr. Hendrik Muller Prijs van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, wegens zijn veelzijdigheid en originaliteit op het gebied van de Nederlandse sociologie. 'Een theorie moet weerlegbaar zijn.'

ZONDER DAT ENE filosofietentamen zou de Nijmeegse hoogleraar algemene sociologie Wout Ultee (1946) halverwege zijn opgehouden met zijn sociologie-studie. “Ik vond er niets aan. Er werd me niets verteld over sociologische problemen. Ik moest vooral definities uit mijn hoofd leren.

Wat is structuur? Wat is interactie? Positietoewijzing? Ik had er een gruwelijke hekel aan.''

Dankzij het filosofietentamen las hij The open society and its enemies van wetenschapsfilosoof Karl Popper. En dat maakte alles anders. Eindelijk kon de jonge Ultee onder woorden brengen wat er mis was met de sociologie die hem werd geleerd. “Het handboek van Van Doorn en Lammers dat we gebruikten leerde geen theorie, maar een begrippenstelsel. Dat was beschrijving, geen wetenschap.Een theorie moet weerlegbaar zijn, anders heeft ze weinig inhoud. Die gedachte heeft me gered voor de sociologie. Een theorie hoeft niet onmìddellijk falsifieerbaar te zijn, maar het moet wel mógelijk zijn. En dat probeer ik nog voortdurend.”

En dus behoort Ultee sinds zijn studietijd tot de school van de verklarende sociologie: zo nauwkeurig mogelijk hypothesen formuleren en deze vervolgens zo precies mogelijk toetsen - liefst met statistische methoden en soms resulterend in volgens sommigen onoverzichtelijke opsplitsingen in deelhypothesen en toetsingen. Inmiddels bepaalt de onderzoeksschool 'ICS', waar Ultee lid van is, de Nederlandse sociologie - overigens samen met haar rivaal, de veel essayistischer ingestelde 'Amsterdamse School'

van onder anderen Abram de Swaan en Johan Goudsblom. Typerend voor Ultee's verhouding tot de Amsterdamse school is een zinnetje in het voorwoord van zijn handboek Sociologie: vragen, uitspraken, bevindingen: “Een bijkomend voordeel van schematisering, ten opzichte van beeldende vergelijkingen en meeslepende volzinnen, is overigens dat gaten en feilen in theoretische verhandelingen eerder aan het licht komen.” Behalve het lijvige handboek publiceerde Ultee vooral over inkomensongelijkheid, de invloed van opleiding en godsdienst op het kiezen van huwelijkspartners en sinds een paar jaar over joodse zelfmoorden in de Tweede Wereldoorlog en trends in huwelijken tussen joden en niet-joden.

Niet iedereen is blij met zijn aanpak. In het blad voor Nijmeegse sociologiestudenten Paradox werd onlangs zelfs gesproken van het 'Ultheïsme' als plaag voor het Nijmeegse sociologieonderwijs. “Het lijkt erop alsof het onderwijsprogramma gecentreerd is rondom één methode van onderzoek, nl. het survey [grootschalige enquete, red.]. De vakgroep Sociologie lijkt wel op een kerkelijk instituut. Zoals men binnen de Kerk de bijbel als leidraad neemt, zo neemt een eerstejaars student Sociologie de Sociologie-bijbel van Ultee, Arts en Flap als vast punt”, aldus in Paradox de student Stijn Ruiter, die dit type sociologie véél te abstract vindt.

Volgens Ultee valt het allemaal wel mee. “De deur staat hier altijd open voor discussie”, zegt hij op zijn werkkamer op de Nijmeegse campus. “Stijn leert nu bij mij in het tweedejaarscollege met veel plezier de Amsterdamse figuratiesociologie.” En de studentenaantallen bij sociologie mogen enorm zijn teruggelopen, “ik kan niet zeggen dat er mijn soort sociologie minder belangstelling is.” Sterker: de overgebleven studenten zijn verstandiger geworden: “De contestatie uit de jaren zeventig, tegen het verzamelen van kennis, en tegen het uitproberen van wat je aan het beweren bent, die is veel minder geworden. Daaraan heeft ook de Amsterdamse figuratiesociologie zijn bijdrage geleverd. Omdat die evenmin een barricaden-sociologie is: de Amsterdamse school is ook heel afstandelijk. Dat is wel een overeenkomst tussen de twee Nederlandse sociologie-scholen.”

Wat is volgens u het doel van de sociologie?

Ultee: “Doel is kennis. Kennis van het samenleven. Sociologen wekken vaak de indruk dat ze met heel veel verschillende dingen bezig zijn. Ik geloof dat dat niet zo is. Het is de kunst om onderzoeken die op kleine zaken betrekking hebben, met elkaar te verbinden. Ik vind dat er drie hoofdvragen van de sociologie zijn. Eén: sociale ongelijkheid: wie krijgt wat en waarom? Twee: cohesie binnen een maatschappij: waarom leven mensen wel of niet vreedzaam naast elkaar? En drie: de rationalisering: wat is de rol van de techniek? De grap van mijn studenten is dan altijd om te bedenken wat er niet onder valt.

Je moet er ook niet àlles onder willen stoppen. Maar binnen dit kader kun je de continuïteit met eerder onderzoek bewaren en toch bij wat nieuws uitkomen.

Zo groeit de kennis. Je hoeft niet van de hak op de tak te springen. En over maatschappelijke relevantie heb ik weinig te zeggen.''

Waarom niet? Veel mensen denken toch snel aan maatschappelijk belang als rechtvaardiging voor sociologie.

“Nou, ik niet. En veel anderen ook niet.”

Wat voor maatschappijbeeld zit er achter uw onderzoek? Aan het slot van uw leerboek bepleit u het technologisch-

ideologisch evolutionisme van Ultee, Flap en Arts. Wat is dat?

“Nou, ik weet niet of ik dat een wereldbeeld zou noemen. Het zijn toetsbare theorieën. Wereldbeelden zijn niet toetsbaar. Om die theorie zo te noemen was overigens een half grapje. Nadat we in dat leerboek de klassieke sociologen onder ogen hadden genomen, concludeerden we dat er een synthese nodig is. We vonden dat één socioloog daarmee het verst was gekomen: de Amerikaan Gerhard Lenski in zijn boek Human Societies. An introduction to Macrosociology. De kern van zijn technologisch evolutionisme is dat toenemende technische ontwikkeling, vanaf de jagerssamenleving in de Steentijd, toenemende ongelijkheid tussen de mensen met zich meebrengt. De uitvindingen zijn de drijvende krachten in de sociale ontwikkeling. Die zijn bepalend voor de machtsverdeling.

“Maar die synthese ging de mist in bij de industriële samenlevingen. Daar was veel meer technische vooruitgang, maar de inkomensongelijkheid werd minder - in strijd dus met zijn voorspelling. Lenski had daar aanvankelijk geen verklaring voor, en dat vind ik interessant. We moeten niet altijd alles maar in onze theorie willen passen. We moeten bereid zijn te zeggen: hier loopt het fout. En hoe komen we er uit? Lenski doet dat heel mooi en helder.

“Met de industriële revolutie is het algemene opleidingspeil gaan stijgen.

Het is gemakkelijker mensen zonder kennis onder de duim te houden dan mensen met kennis. Bedrijfsleiders zijn nu afhankelijk geworden van mensen met kennis.Ongeschoolden kunnen ze makkelijk vervangen, mensen met kennis niet.Dat doet de machtsverhoudingen verschuiven. En daardoor neemt de ongelijkheid af. Maar op een gegeven moment gaat Lenski over de rol van de moderne politiek praten, en dat komt niet erg uit de verf. Wij hebben geprobeerd dat te ordenen door onderscheid te maken tussen politiek activisme en passivisme. Dat maakt een groot verschil in de verdeling van schaarse goederen.''

Hoe zou je deze theorie kunnen weerleggen?

“Ik denk dat zij al weerlegd is. Ik zou niet weten hoe wat er nu in Oost-Europa gebeurt in de theorie gepast kan worden: zó'n grote toename van de ongelijkheid. Dat er met de val van het communisme meer ongelijkheid komt, begrijp ik wel, maar méér ongelijkheid dan nu in Engeland of de VS? Ik hoop dat ik wat kan verzinnen. Maar daar kan de theorie mislopen.”

Maar wat heb je nog aan zo'n weerlegde theorie?

“Je hoeft haar niet het raam uit te gooien. Dat vind ik ook een van de nuttige dingen van statistiek. Je moet onderscheiden tussen er naast zitten en er verder naast zitten. Met statistiek klopt het nooit precies, het gaat erom hoever we er naast zitten. De correlatie hoeft niet volledig te zijn. Als ik in een onderzoek zulke sterke verbanden tegenkom, ga ik ervan uit dat er ergens wat verkeerd is gegaan.”

Ik begrijp wel waarom u uw schouders ophaalt over de maatschappelijke relevantie van sociologie. Als de sociologie voortdurend moet werken met half weerlegde theorieën, is er een enorme kloof met het verwachtingspatroon dat 'maakbaarheid-sociologen' oproepen.

“So be it. Ik heb dat soort sociologie genoeg meegemaakt en ik geloof niet dat ik er bij wil horen. Er moet eerst kennis vergaard worden voordat zelfs een relatief simpel beleid als de cultuurspreiding zou kunnen lukken.”

Kunnen we dan niets leren van de sociologie?

“Sociologisch onderzoek heeft ertoe bijgedragen dat we weten dat het idee dat de samenleving maakbaar is, niet klopt. En ik geloof ook dat de sociologie die de rol van de technologie benadrukt, zoals de onze, heel goed duidelijk maakt dat we met de discussie over de verzorgingsstaat op een verkeerd spoor zitten. We letten veel te weinig op de voorwaarden voor zo'n staat. Daarvoor is een heel hoog peil van industrialisatie nodig. En een overheid met voldoende legitimiteit bij de burgers om die herverdeling tot stand te brengen.En verder is om ongewenste gevolgen van overheidsingrijpen te voorkomen solidariteit in de samenleving nodig. Het probleem van de solidariteit is de afgelopen jaren eindelijk een thema geworden binnen de overheid. Maar je had al uitgebreid over kunnnen lezen, bijvoorbeeld bij de sociologie van Durkheim.

''

Hoe zit dat dan?

“Er is te veel gesproken over alleen de staat en de markt. Behalve de staat en de markt zijn er de intermediaire groepen, het maatschappelijk middenveld.

Die kreet is geloof ik door Brinkman in de politiek geïntroduceerd, mede door toedoen van de sociologen Adriaansens en Zijderveld die op Durkheim zijn gaan leunen. Als de staat bepaalde dingen gaat doen, kan het maatschappelijk middenveld er onderdoorgaan. Dat is ons nu aan het opbreken. Als er mensen op straat worden doodgeslagen, dan kan premier Kok alleen nog maar zeggen: 'we kunnen er niks tegen doen'. Tja!''Hoe staat het met de cohesie in Nederland?

“Dat hangt ervan af waar je het aan afmeet. Voor Durkheim was de meest sprekende indicatie het zelfmoordcijfer. Dat is sinds het midden van de jaren tachtig gestabiliseerd. Je kunt gaan praten over de stijgende criminaliteit.

Ik geloof dat die trend weer aan het omslaan is. Al doen criminologen als Herman Franke daar veel te gemakkelijk over. Hij zegt: het is niet zo dat er steeds meer oude vrouwen 's avonds op straat worden beroofd. Ja zeg, die vrouwen weten ook wel dat ze de straat niet meer op moeten gaan. Die blijven nu thuis. En dan is er ook de echtscheidingskwestie. Op dat punt is de maatschappelijke cohesie aan het afnemen. Wat niet wil zeggen dat hij op andere punten niet aan het toenemen kan zijn.''

Je zou ook kunnen zeggen dat mensen juist meer externe contacten hebben en daardoor kùnnen scheiden. Dat huwelijk is dan kapot maar de maatschappelijke cohesie blijft gelijk.

“Nee, ik maak dat nou weer mee met mijn studenten, als we bezig zijn met het zelfmoordcijfer en de rol van de godsdienst. Godsdienst is een factor die tot minder zelfmoord leidt, klassiek durkheimiaans. En dan heb je altijd een student die zo verstandig is om te zeggen: vroeger zaten de mensen in de kerk, nu doen ze op zondag gewoon wat anders! Maar wie gelooft werkelijk dat voor zelfmoord de preventieve werking van een sportvereniging even groot is als die van de kerk? Godsdienst heeft een veel meer omvattend wereldbeeld dan een sportvereniging. Zo'n vereniging leidt wel tot contacten, maar dat zijn toch contacten van andere aard dan in een godsdienst. Zo is het ook met een huwelijk.”

Volgens de Amsterdamse Elias-school neemt de disciplinering alleen maar toe. Zelfs het naaktstrand is slechts mogelijk dankzij de groeiende beschaving.

“Ja, dan wordt altijd die ene zin van Elias weer aangehaald: The controlled decontrolling of controls. Met zoiets moet je niet voor de dag komen, vind ik.

Dat is een woordspelletje, een bezweringsformule. Probeer het liever als een toetsbare hypothese uit te schrijven die tot toetsbare voorspellingen leidt.

Dat kan heus wel. Franke heeft het gedaan met de omkering van de trend in de criminaliteit. Moord en doodslag nemen op de lange termijn af, volgens de theorie van Elias. Maar in de jaren zeventig namen ze weer toe. Toen zei Franke dat het wel eens zou kunnen dat de afhankelijkheden tussen mensen in het algemeen zijn toegenomen, maar dat in bepaalde groepen de afhankelijkheden juist zijn afgenomen. Dat is een mooie formulering, en het staat ook duidelijker in het kader van de theorie. Het gaat om het meest algemene oorzakelijk verband: hoe groter de afhankelijkheden, des te minder geweld.

Maar bij toename van het geweld moet er dus een afname van de afhankelijkheid bij bepaalde groepen zijn. Op die manier ben je gelijk af van al die mooi klinkende maar holle formules.

“Ik denk zelf dat deze theorie ook is toe te passen op de opkomst van het nazisme in Duitsland. Volgens Elias leidt toenemende onderlinge afhankelijkheid tot grotere staatsmacht met een geweldsmonopolie. In Duitsland werd die trend omgekeerd. De staat verloor er eerst het monopolie op de geldmiddelen: in Duitsland was na de Eerste Wereldoorlog de Mark geen cent meer waard. Dat moet gevolgen hebben voor hoe mensen denken over de staat en voor hun gedrag. En dan de geweldsmiddelen. In de Nazi-staat kreeg je naast de normale politie en het leger geweldsorganen als de SS en SA. Dat die ook onder controle stonden van Hitler, maakt niet uit. Jij als burger hebt met al die organen te maken en als de ene je goed behandelt wil dat nog niks zeggen over de ander. Dergelijk geweldsorganisaties waren in Nederland verboden: je mag niet marcheren op straat. Een van de eerste maatregelen van de Duitsers was om dat toe te staan. En dat leidt tot straatgeweld.”

Is dat dan niet te formeel gedacht? Dat zou betekenen dat er in Nederland door de fusie tussen Rijkspolitie en Gemeentepolitie van een paar jaar terug nu minder criminaliteit is. Niet omdat er meer boeven worden gevangen, maar alleen door versterking van het geweldsmonopolie?

“Door een sterkere preventieve werking, ja zeker. Dat zouden de implicaties van deze verklaring kunnen zijn. Moet je onderzoeken.”