Straling Tsjernobyl leidt tot albinisme bij boerenzwaluw

Er zijn aanwijzingen dat de radioactieve vervuiling rond de kernreactor van Tsjernobyl heeft geleid tot een verhoogde mutatie-frequentie onder boerenzwaluwen die het zomerhalfjaar rond Tsjernobyl doorbrengen.

Dat blijkt uit een onderzoek van Zweedse en Deense biologen (Nature, 9 oktober) die vijf en tien jaar na het ongeluk, in april 1986, zochten naar het voorkomen van partieel albinisme en andere, niet zichtbare, mutaties onder de boerenzwaluwen. Zij vergeleken zwaluwen van Tsjernobyl met die uit een niet besmet gebied in Oekraïne (Kanev) en bovendien met vogels in Italië. Ook betrokken zij opgezette zwaluwen uit musea in het onderzoek om een indruk te krijgen van het albinisme vóór de ramp. Boerenzwaluwen met partieel albinisme hebben enkele witte veertjes op plaatsen waar normaal rode of donkerblauwe veren zitten.

Terwijl in geen van de geconserveerde museumvogels partieel albinisme werd gevonden bleken in 1991 15 van de 99, en in 1996 10 van de 75 zwaluwen die rond Tsjernobyl werden gevangen albinisme te vertonen. Rond Kanev en Milaan vertoonden nog geen twee procent van de met mistnetten gevangen dieren partieel albinisme. De volwassen boerenzwaluwen rond Tsjernobyl met partieel albinisme hadden beduidend meer albinistische jongen dan gewone zwaluwen.

Daaruit blijkt volgens de onderzoekers dat de radioactiviteit rond Tsjernobyl voor een groot deel 'kiembaan mutaties' (die optreden bij de vorming van de geslachtscellen) opwekt. Die indruk is versterkt door de resultaten van moleculair genetisch onderzoek (via bloedmonsters) aan zogenoemd satelliet-DNA van ouders en hun jongen.

De Deense onderzoeker A.P. MNature, 25 april 1996) is komen vast te staan dat mitochondriaal DNA van veldmuizen en andere woelmuizen die vlakbij de ontplofte reactor leven ongewoon snel muteert. Zichtbare abnormaliteiten, anders dan incidenteel een vergrote milt, treden bij deze muizen, die zelf ook sterk radioactief zijn, niet op.