Stijgende inflatie en de wraak van de winkelier

Premier Kok maakt zich zorgen om de oplopende inflatie. Hij heeft gelijk. In de bescheiden 2,25 procent inflatie die het Centraal Planbureau voor volgend jaar raamt, gelooft vrijwel niemand meer. De macht van de consument om de prijzen te bepalen wankelt.

ROTTERDAM, 11 OKT. In heel Europa staan de prijzen van auto's onder druk. Weifelende consumenten krijgen maar langzamerhand meer vertrouwen in de toekomst, en tonen dat vooral in hun terughoudende aankopen van duurzame consumptiegoederen.

Dat brengt de verkopers van auto's in een lastig parket. Dealers zijn niet in staat om hun prijzen op te schroeven, maar zijn juist al jaren in een prijzenslag gewikkeld om de gunst van de zuinige consument.

Volgens analist E. van der Gulik van de bank J.P. Morgan is het daarom juist treffend dat in de prijsindex voor de gezinsconsumptie, die het Centraal Bureau voor de Statistiek gisteren over september bekendmaakte, juist in Nederland auto's in prijs zijn gestegen.

Daarmee keert een spoortje pricing power, de macht van producenten en verkopers tegenover de consument om de prijzen te bepalen, weer terug in Nederland. Ten opzichte van september vorig jaar blijkt het algemene prijspeil volgens het CBS met 2,6 procent te zijn gestegen. Ook in augustus gingen de prijzen op jaarbasis met 2,6 procent omhoog. Nederland is daarmee een 'inflatieland' geworden in Europees verband.

Analist A. Paparo van de Stafgroep Economisch onderzoek van de Rabo gaat er van uit dat de inflatie de komende maanden weer iets terugloopt. Dat komt omdat eind vorig jaar de prijzen relatief sterk stegen, zodat een vergelijking met dit jaar de onderliggende prijsstijging vertekent. Maar daarna loopt de geldontwaarding weer op. De hogere lonen werken volgens de Rabo wat door in de prijzen, de prijs van de invoer draagt bij. Maar een belangrijk deel van de inflatie zal komen van hogere, of in ieder geval minder slechte, marges van detaillisten.

In tegenstelling tot de rest van Europa zijn het consumentenvertrouwen en de koopbereidheid hier hoog: sinds het CBS in 1972 met het meten van het vertrouwen begon, is niet zo'n hoge waarde gemeten als nu. Aangejaagd door goedkoop krediet, vermogenswinst en Koks eigen lastenverlichtingen tast de consument diep in de buidel. De jongste cijfers van het CBS geven een stijging van de consumentenuitgaven aan van 4 procent in juli. “Klaarblijkelijk,” zegt Van der Gulik, “keert de pricing power nu weer wat terug naar de producenten.”

Officieel is inflatie in Nederland voorlopig geen probleem. In zijn jongste raming, die ten grondslag ligt aan de Miljoenennota '98, geeft het Centraal Planbureau voor zowel 1997 als 1998 een gemiddelde inflatie aan van 2,25 procent. Buiten het CPB gelooft vrijwel niemand dat meer. De consensus onder economen van de grote banken en effectenhuizen gaat uit van een inflatiecijfer van 2,5 procent in 1998. En dat was voordat gisteren bleek dat het cijfer nu al twee maanden achtereen op 2,6 procent staat. Grote buitenlandse huizen als Goldman Sachs en Morgan Stanley hebben 2,7 procent inflatie ingetekend voor Nederland in 1998.

Het verschil tussen de CPB-raming en de hogere consensus-raming lijkt vooral te liggen in de inschatting van de bestedingsdrift van de consument. Het CPB schat dat de consumptieve uitgaven volgend jaar wat teruglopen, veel andere instellingen zien de bestedingen beter op peil blijven, waardoor de pricing power van producenten de detaillisten verder aan kracht wint.

De kwart procent tot een half procent hogere inflatieraming boven die van het CPB is meer dan hij lijkt. Het geeft aan dat de inflatie een stijgende lijn vertoont, en dus eind 1998 tegen de drie procent zit.

Van der Gulik van J.P Morgan gaat verder, en hanteert een raming van 3 procent gemiddeld in 1998. Daarmee komt de inflatie in de laatste maanden van volgend jaar uit op zo'n 3,3 procent.

Dat scenario lijkt voor de vakbonden iets om rekening mee te houden. Die zetten voor de loononderhandelingen volgend jaar in op een reële, voor inflatie gecorrigeerde, loonstijging van zo'n 1,5 procent. De raming van de onderliggende inflatie bepaalt zo de inzet voor de nominale looneis. Op basis van de CPB-schatting zetten de bonden voor 1998 dus in op 3,75 procent, om uiteindelijk uit te komen op rond de 3,25 procent. Een hogere inflatieraming kan de looneis verder opschroeven. Daarmee kunnen de werknemers eerder die nieuwe auto kopen, waar de dealer intussen een tikje meer voor vraagt.