Sperwer

De begraafplaats ligt tussen de rondweg van Amsterdam en de Amstel. De snelweg zorgt voor een onophoudelijk achtergrondgedreun. In het voorjaar als het wedstrijdseizoen is aangebroken, laten de roeiers hun geschreeuw horen.

Voor de rest is het er stil. Mezen en boomklevers zijn ononderbroken aan het woord, iedereen kan elk najaar de goudhaantjes in de hagen horen smiespelen, en reigers en meeuwen verstoren schreeuwend de rust. Wie een beetje uitkijkt ziet de konijnen en egels over de paadjes lopen, of over de zerken klauteren. Alle mensendroefenis en het kleine bonte leven zijn gevat in een lijst van honderden bomen en struiken. Ze zat in de plataan boven het graf. Een vrouwtjessperwer. Begin maart ontdekten we haar op een zondag in de nog kale boom, toen ze kekkerend van tak naar tak vloog. Ze had een voorkeur voor het oude gedeelte van de begraafplaats achter de aula. Later in het jaar werd ze zwijgzamer en zagen we haar als we de bomen afzochten vaak bewegingloos zitten, de vleugels en staart gespreid in de lentezon, of soms als een felle schaduw naar een ekster uitvallen. De opwinding van de paartijd had plaats gemaakt voor stille broedzorg. Begin mei liet ze haar 'kek-kek-kek' weer horen, anders hadden we haar nooit gevonden tussen het dichte gebladerte, ook al zat ze recht boven ons hoofd, tien meter boven het pad. We lieten de plantjes op het graf even in de steek, en zochten met de kijker naar haar mooie kop. Deze keer werd haar roep beantwoord, en van achter ons kwam het mannetje, iets kleiner en rossiger, aanvliegen. Hij zette zich een paar meter onder het vrouwtje, en opeens stonden we onder twee sperwers. De gebandeerde staart van het mannetje stak opzichtig uit. Bewonderend hielden we nu eens de een, dan weer de ander in de kijkerd zonder dat het de vogels leek te deren, en na een paar minuten praatten we alweer op normale toon. Maar opeens liet het mannetje zijn ongenoegen blijken: de stijve staart schoot de hoogte in, en uit zijn broek spoot een straal vuil die ons op een meter na miste.

Na de grote vakantie, half augustus, vonden we een bende veertjes op dezelfde plaats: bruingele en een paar naar oranje zwemende pennen en donsveren. En een afgekloven ruggegraat. Grondig werk, maar wie had hier wie te grazen genomen? Misschien dat een jonge sperwer aan een vos of een wezel ten prooi was gevallen, opperden we. Zoveel leken de veren op die van de roofvogel, en een andere vogel met zo'n chique gestreept pak konden we niet bedenken. Mensenwerk, doodsoorzaak nummer eén onder de roofvogels, was het zeker niet. Maar het bleef een moeizame veronderstelling, een sperwer die zich op de grond liet verrassen. De volgende week bracht een aanwijzing, maar loste het raadsel niet op. Er lag een aangevreten merel op het pad, nu een paar meter verder. Dit keer was wie de dader ook was, kennelijk gestoord in zijn maal en had de benen of vleugels genomen.

Weer een week later waren we druk bezig de plantjes met vele gieters voor verdorsting te behoeden toen drie beige fazanten deftig over het pad kwamen aanstappen. Een hen met jongen. Dat waren de veren dus geweest, een kuiken! We haalden opgelucht adem, want ja: fazanten zijn voor de pot, de sperwer is de jager.