Roker

Zou minister Borst mij zo'n zaaltje kunnen aanwijzen dat blauw staat van de rook? Zo ja, dan wil ik daar wel eens meepaffen, want hartstochtelijk roker als ik ben, kost het me steeds meer moeite een openbare ruimte te vinden waar ik me onbekommerd aan die slechte, ongezonde en onhebbelijke gewoonte kan overgeven.

Je hoort het nog zo vaak: dat geklaag en gezeur over rokerige zaaltjes. Onlangs weer mevrouw Borst in deze krant, op de vraag of ze ernaar uitziet avond aan avond een verkiezingsverhaal te vertellen.

“Nou, als ik vaak in van die kleine zaaltjes kom, die blauw staan van de rook (...), zal ik vast blij zijn als ik er weer van af ben”, aldus de lijsttrekker van D'66.

Het is langzamerhand een achterhaald cliché. De meeste zalen en zaaltjes kennen tegenwoordig, onder invloed van de antitabaksbeweging, een rookloze atmosfeer.

Eventueel parfum en after-shave, maar geen walm van sigaar of sigaret. Dan laat je het wel uit je hoofd om er zelf een op te steken en als je het toch doet, voel je al gauw acht priemende ogen in je rug.

Niet alleen binnen trouwens.

Laatst stond ik op een perron, dus in de openlucht, met een sigaret in de mond. Een man liep met een boog om me heen, duidelijk van afschuw vervuld. Amerikaanse toestanden, sterker nog: het lijkt wel Singapore. Het ding smaakte me natuurlijk niet meer.

Maar u, mevrouw Borst, trek gerust het land in om uw boodschap uit te dragen, u heeft weinig of niets te vrezen.