Regelmatig, zeker één keer per jaar

IN DIVERSE KRANTEN verschenen vorige week berichten met koppen als 'Halfjaarlijkse controle schadelijk voor het gebit' en 'halfjaarlijkse controle dient geen doel'. De opwinding werd veroorzaakt door het persbericht van de Groningse Universiteit over de openbare les van de hoogleraar Schaub die de problematiek van de regelmatige gebitscontrole weer eens onder de aandacht bracht. De doelmatigheid van deze controle wordt overigens al sinds het begin van jaren tachtig door een aantal tandheelkundige onderzoekers betwijfeld.

Het staat vast dat de verplichte halfjaarlijkse gebitscontrole van voor de stelselwijziging van 1995, toen de tandheelkundige zorg voor volwassenen grotendeels uit de ziekenfondsverzekering verdween, een van de pijlers was waarop de tandheelkundige hulp in het ziekenfondssysteem was gegrondvest. Het was internationaal bezien een unieke maatregel die van grote invloed is geweest op de stijgende gebitsbewustheid van de Nederlandse bevolking tussen 1960 en 1995.

De argumenten van de voor- en tegenstanders van de maatregel hebben vooral betrekking op het ontstaan en voorkomen van de twee belangrijkste gebitsziekten cariës (tandbederf) en parodontale afwijkingen (de ziekten van het kaakbot en het daaropliggende tandvlees). Wanneer men het ontstaan van tandbederf bestudeert, kan men bij nauwkeurige observatie van carieuze gebitselementen verschillende stadia onderscheiden. Het bekendst is het gaatje waarbij zoveel weefsel is verdwenen dat het tandoppervlak een gat vertoont. Maar daarvoor waren er al vele veranderingen in het glazuur, het bovenste deel van een tand of kies, te constateren.

De witte kleur, die na droogblazen duidelijker zichtbaar wordt, is het gevolg van het feit dat het tandglazuur meer poreus is geworden. In feite lost het glazuur door zuurvorming op die plaats op. Deze glazuurlaesies kunnen echter van nature remineraliseren, bijvoorbeeld door het gebruik van fluoride in tandpasta's of door preventieve behandelingen bij de tandarts. Wanneer niets gebeurt kan de laesie dieper worden waardoor het onderliggende tandbeen wordt bereikt. Dan is er sprake van een caviteit of gaatje. De snelheid waarmee het cariësproces vordert is sterk afhankelijk van individuele factoren, zoals de speekselvloed, voedingsgewoonten, mondhygiëne en het gebruik van fluoride. Vroeger werd vastgesteld dat het gemiddeld 18 maanden duurde voordat een witte vlek zich ontwikkelde tot een caviteit, maar met het toegenomen gebruik van fluoride en de betere mondhygiëne van de bevolking in de geïndustrialiseerde wereld is die tijdsduur aanzienlijk verlengd. Onderzoeken wijzen uit dat die periode thans is verlengd tot 30-50 maanden.

De voorstanders van de halfjaarlijkse controle stellen nu dat het uitermate belangrijk is om tandbederf in een zo vroeg mogelijk stadium te diagnostiseren. Dan kan door preventief ingrijpen erger worden voorkomen. De tegenstanders zijn van mening dat tandartsen tegenwoordig soms te snel de boor ter hand nemen, terwijl de kans groot is dat de initiële laesies vanzelf verdwijnen. De halfjaarlijkse controle zou dit gevaar vergroten.

Een ander argument in de discussie is de toestand van het gebit. Het voorkomen van cariës bij de leeftijdgroepen onder de 23 jaar is vergeleken met de jaren zestig sterk afgenomen. Die trend zet zich voort tot de 45-jarigen.

Maar in de leeftijdsgroepen boven de 45 jaar ziet men vaak gebitten met veel vullingen, kroon- en brugwerk.

Deze groepen in de bevolking hebben minder kunnen profiteren van de zegeningen van de preventie dan hun jongere leeftijdsgenoten en hebben meer zorg nodig. Restauraties hebben een beperkte levensduur. De halfjaarlijkse controles zouden volgens de tegenstanders kunnen leiden tot vaker overvullen dan in het geval van jaarlijkse of tweejaarlijkse bezoeken.

Voor de parodontale afwijkingen kan eenzelfde betoog worden opgezet. Ongeveer 5 tot 15 procent van de bevolking heeft kans op een ernstige parodontale afwijking. Echter, vrijwel iedereen heeft wel ergens in de mond een lichte tandvleesontsteking.

Maar dit hoeft niet te leiden tot een ernstige kaakbotontsteking met uiteindelijk botverlies. Omdat zo'n kaakbotontsteking veelal slechts zeer langzaam voortschrijdt, zouden volgens de tegenstanders de halfjaarlijkse controles overbodig zijn. Tandvleesontstekingen en kaakbotafbraak houden verband met elkaar, betogen de voorstanders. Volgens hen zijn de halfjaarlijkse controles nodig om afwijkingen zo vroeg mogelijk op te sporen. Sommige afwijkingen kunnen namelijk zeer snel opvlammen.

Bovendien leiden deze controles ertoe om mensen in de risicogroepen zo snel mogelijk op te sporen.

Een en ander overziend moet men vaststellen dat het wetenschappelijk bewijs van de doelmatigheid van de halfjaarlijkse controle niet is geleverd.

Het tegendeel evenmin. In feite zijn de periodes waarin zulke gebitsonderzoeken gebeuren niet zo belangrijk.

Van veel groter belang is de regelmaat waarmee dergelijke, periodieke, mondonderzoeken moeten gebeuren.

Sommige mensen doen er, gezien de conditie van het gebit, verstandig aan zich regelmatig halfjaarlijks of zelfs om de drie maanden te laten controleren, anderen kunnen volstaan met één- of tweejaarlijkse gebitsonderzoeken. Momenteel heerst redelijke overeenstemming over het feit dat gebitscontroles regelmatig en ten minste eenmaal per jaar behoren te geschieden.