Proces-Papon: Frankrijk beleeft nog één keer zijn Vichy-syndroom; Keurig - fout

Direct na de bevrijding staat hij op het bordes naast held De Gaulle. En zijn ambtelijke en politieke carrière zet hij moeiteloos voort tot in de jaren tachtig. Maurice Papon, de man die tussen '42 en '44 de deportatie van joden uit Bordeaux organiseerde. Nu is hij 87 en zijn proces is deze week eindelijk begonnen. Maar: hoeveel erger was Papon dan zijn landgenoten?

Ik verlang slechts gelijke wapens. Ik heb maar één stem om het te vragen. U hebt er twintig om te antwoorden. Ik vraag, vol scepsis, de vrijheid me te kunnen verdedigen, te kunnen overleggen met mijn advocaten. De fysieke, morele en psychische druk van een gedwongen verblijf in de cel is voor mij onverdraaglijk. Maar ik ben bang dat mijn ervaringen van vandaag een voorbode zijn van wat me in dit proces te wachten staat.''

De man in zijn vale blazer was drie uur eerder stram de rechtszaal binnengestapt, nadat de fotografen waren weggestuurd. Zo had hij het gewenst, om zich de foto's in de beklaagdenbank te besparen. Niet zijn genre. Het was de laatste keer dat hij zijn zin kreeg. Minzaam buigend naar de leden van de rechtbank wilde hij gaan zitten, maar de president hield hem staande en vroeg zijn naam. “Papon, Maurice, 87 jaar.” Beroep? “Gepensioneerde.” Woonplaats?“Gretz, Seine et Marne.” Toen mocht de verdachte zijn plaats innemen, achter kogelvrij glas.

Wie is deze sleetse gentleman met zijn forse, gouden pinkring, die de nabestaanden van de mensen om wie dit proces draait geen blik waardig keurt?

Deze man die kennelijk gewend is kort te vergaderen - hij trommelt bij herhaling op de smetteloze blocnote waarin hij met een dunne, gouden pen af en toe heel precies iets aantekent. Hij moet een fijnproever van het woord zijn, af en toe worden zijn schrale trekken verzacht door een geamuseerd zweem. Dat is wanneer zijn advocaat, maître Jean-Marc Varaut hem, de trouwe dienaar van de staat, als slachtoffer van een hetze afschildert. Als “uitzonderlijke, eenzame held” van een spektakel-proces.

Bleek, bijna begaan met zichzelf luistert hij naar de beschrijving van zijn leed. 'Onmenselijk' is Papons cel in het huis van bewaring, tien vierkante meter. Hij heeft de nacht vóór het proces maar drie uur kunnen slapen omdat de andere gevangenen onophoudelijk 'Dood aan Papon' scandeerden.

Maurice Papon is geen nazi, zoals Klaus Barbie, de beul van Lyon, die in '87 werd berecht, en geen gewelddadige Franse antisemiet zoals Paul Touvier, die in '94 (na jaren asiel in conservatieve kloosters) werd veroordeeld. Papon, de Franse topambtenaar, wordt niettemin beschuldigd van misdrijven tegen de menselijkheid.

Ook zijn levenslang - als de negen leken en drie beroepsrechters in het Assisenhof hem de zwaarste straf geven - zal niet lang duren. Zijn superieuren waren al dood voor zij hun rechters onder ogen zagen, en als zijn advocaat gelijk heeft is het de vraag of Papon alleen het proces al overleeft.

Donderdagnacht is hij met hartklachten in het ziekenhuis opgenomen; gisterochtend heeft het Hof van Assisen hem om gezondheidsredenen op borgtocht vrijgelaten.

Hij mag de minst afstotende verdachte zijn van de trits Barbie-Touvier-Papon, dit laatste grote Franse oorlogsproces is ook het pijnlijkst. Voor het eerst staat tijdloos efficiënt en keurig Frankrijk terecht.

In graniet“Nee, het is me niet te doen om wraak”, zegt Joseph Schwartz vriendelijk.

Hij was vijftien toen zijn hele familie, op een oom en een tante na, werden afgevoerd naar de Duitse vernietigingskampen. “Maar het zou verschil hebben gemaakt als Maurice Papon enig berouw had getoond.”

Het is woensdagochtend. Schwartz staat bij een onaantrekkelijke kruising van wegen in Mérignac, buiten Bordeaux. De vereniging van kinderen van gedeporteerde Franse joden houdt een korte plechtigheid ter nagedachtenis van de meer dan honderd joodse kinderen die uit het Franse concentratiekamp Mérignac-Beaudésert door de Franse politie op transport zijn gesteld naar Drancy, bij Parijs, het Franse voorportaal voor Auschwitz. Leiding van die operaties: Maurice Papon.

Vrachtwagens rijden af en aan, een 'hard discount' (dieskoent) groothandel in bouwmaterialen is neergestreken op de grond waar de barakken van het kamp stonden. Direct na de oorlog werden er een tijdje mensen opgesloten die verdacht werden van samenwerking met de Duitsers - gewone mensen, geen hoge.

Na een periode als opvangkamp voor daklozen raakte het in verval en werd industrieterrein. Gemakshalve is het gedenkteken, dat veel later is opgericht, daarom maar langs de weg geplaatst. Vlammen en prikkeldraad in graniet gehakt, over de strekking is geen twijfel mogelijk.

Nabestaanden houden gele borden omhoog, met een jodenster en de naam van een kind: Marcelle Borruel, 15 jaar, konvooi 66, Olga Darvos, 8 jaar, konvooi 36, Charles Kimelman, 5 jaar, Alain Gross, 3 maanden. De rabbijn van Bordeaux bezingt de doden. De ontroering wordt niet minder oprecht door de overheersende aanwezigheid van televisiecamera's.

Een minuut stilte is niet voldoende om de verklaring te overdenken die de advocaat van Papon aan de vooravond van het proces heeft uitgegeven namens de man die in de jaren '42-'44 secretaris-generaal was van de prefectuur van de Gironde. Papon staat in Bordeaux terecht wegens misdrijven tegen de menselijkheid. Hem wordt ten laste gelegd dat hij de arrestatie en het transport heeft georganiseerd van bijna 1.600 'buitenlandse' (en gaandeweg ook Franse) joden.

In 1981, Papon is dan minister onder premier Raymond Barre en president Valéry Giscard d'Estaing, publiceert Le Canard Enchaîné documenten die door Michel Slitinsky, een bijna-slachtoffer van die razzia's, in de archieven zijn ontdekt. Daaruit bleek dat Papon persoonlijk toezag op de efficiënte uitvoering van het programma dat door de Duitse bezetter alleen in grote lijnen was vastgesteld. Aan ondergeschikten vroeg hij in handgeschreven notities een lijst aan te leggen van de 'interessante gevallen' in het volgende konvooi joodse gevangenen. De toen net dertigjarige technocraat had daar waarschijnlijk geen Mengele-gedachten bij, hij was meer op zoek naar decoraties en andere tekenen van meetellen in de republiek. Deze ambtenaar kweet zich met nauwkeurigheid en initiatief van zijn taak.

Dinsdag, vlak voor het proces voor het Hof van Assisen van de Gironde begon, liet Papon weten de hele gang van zaken een 'maskerade' te vinden, 'een rechtsstaat onwaardig'. Volgens hem is het proces 'geprefabriceerd', terwijl “de bevindingen van een jury van authentieke verzetsmensen en competente historici worden genegeerd”. Papon doelt daarbij op een door hem zelf samengestelde 'jury' van verzetsmensen die hem te hulp waren geschoten na de onthullingen in de Canard. Die bevriende jury oordeelde in 1983 dat Papon in die penibele oorlogsomstandigheden beter had kunnen aftreden, maar dat strafvervolging in dit late stadium niet verdiend was en niet meer opportuun.

De tijdgeest was nog nauwelijks gericht op opening van oorlogszaken.

Joseph Schwartz: “Papon was niet de hoogste die dit anti-joodse beleid had bedacht, toch draagt hij een enorme verantwoordelijkheid. Hij heeft persoonlijk aan de Franse politie opdracht gegeven ook kinderen te gaan zoeken,hij die zich altijd heeft voorgedaan als goed gezinshoofd en vader. Volkomen ontmenselijkt heeft hij gehandeld, vilein. Hij had in de oorlog zeker kunnen aftreden.” Een van de bekendste prefecten en verzetsheld van Frankrijk, Jean Moulin, is afgetreden; zijn as rust in het Panthéon.

En na de oorlog, toen Papon het bracht tot prefect van politie in Parijs onder president De Gaulle, en minister van Begrotingszaken onder Giscard d'Estaing, heeft toen niemand geweten wie Papon was? “Dat blijft een mysterie. Hij heeft in de regering samengewerkt met iemand als Simone Veil, die zelf in de kampen heeft gezeten. Ze zegt dat ze het niet wist. Giscard wist het waarschijnlijk echt niet. Waar het hier om gaat, is dat wordt vastgesteld hoe een man als Papon deze orders heeft kunnen tekenen. Of hij de gevangenis indraait, laat me koud. Ik jubel niet nu hij eindelijk terechtstaat. Het verleden moet worden verhelderd, gerechtigheid worden gedaan. Voor mijn ouders, voor al mijn doden.

''

Frankrijk wordt dezer dagen uitvoerig geïnformeerd over het proces-Papon, maar om te zeggen dat de belangstelling overdonderend is, zou te ver gaan.

Weliswaar is de kleine rechtszaal elke dag vol, maar de driehonderd politie-agenten hoeven geen opgewonden massa's in bedwang te houden. Een veelgehoord oordeel is: dat hadden ze eerder moeten doen. Waarbij de taxichauffeur of opbeller naar een populair radioprogramma overigens erkent weinig benul te hebben van wat er de afgelopen 53 jaar intussen is gebeurd met het oorlogsverleden.Zoals waarschijnlijk de meeste landen heeft Frankrijk geen haast gemaakt met het achterom in de spiegel kijken. Charles de Gaulle, de grote held die het land na de meest rampzalige nederlaag in de levende geschiedenis weer enig zelfvertrouwen had gegeven, was zelf de grote protagonist van het nationaal vergeten. 'Vichy heeft nooit bestaan', was zijn historische tovertruc. De periode-Vichy ('40-'44), waarin onder maarschalk Pétain een nationalistisch, reactionair en antisemitisch ideaal van vóór de oorlog werd omgezet in een Deutschfreundlich aanpassersregime, dat was Frankrijk niet. De Gaulle bespaarde zijn vaderland daarmee de schaamte van de totale, laffe blamage van medewerking aan Hitlers Endlösung én gaf zijn eigen Londense oproep tot verzet met terugwerkende kracht formele geldigheid.

Frankrijk nam deze visie na de bevrijding maar al te graag over, zuiverde onder de ergste gevallen, berechtte Pétain en zijn laatste mohikanen, en zette zich aan het moeizame herstel van een zwaar verarmd land. Tot een film als Le Chagrin et la Pitié van Marcel Ophüls in 1971 en een studie als La France de Vichy van de Amerikaanse historicus Robert Paxton in 1973 de eerste barstjes in het afweermechanisme van Frankrijks collectieve geweten veroorzaakten. De Fransman Henry Rousso heeft later een naam gegeven aan het fenomeen: Het Vichy Syndroom, zoals zijn boek uit 1987 heet. De ondertitel is bijna profetisch: Van 1944 tot onze dagen. Het syndroom, dat Rousso beschrijft in termen van een nationale neurose, leeft voort. Opnieuw wisselen venijnige beschuldigingen en oproepen tot nationale verzoening elkaar af, het collectief zwijgen van de ene generatie, dreigt te worden opgevolgd door het niets-vragen van de volgende.

Rousso onderscheidt met de onthechtheid van de ornitholoog een aantal kenmerken van dit syndroom. Zoals het na de oorlog jaren laten opbloeien van de Pétain-mythe, bestaande uit het uitmeten van de heroïsche verdiensten van de maarschalk in de Eerste Wereldoorlog, en als behoeder van Frankrijk voor erger leed tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met voorbijgaan aan de ondemocratische ideologische fundamenten van zijn Nationale Revolutie.

De tweede mythe die het syndroom inhoud gaf was de verzetsherinnering, als de bijna-algemene houding van de Fransen tijdens die moeilijke jaren. Opnieuw met De Gaulle als lichtend voorbeeld, terwijl er zoals de Franse dr. L. de Jong, Henri Amouroux heeft geschreven, tot de zomer van '41 veertig miljoen pétainisten waren in Frankrijk. Na De Gaulles dood (1970) werd het minder en te veel politici van uiteenlopende pluimage hadden hun zwakke jaren gekend om zich op welk goed gedrag dan ook te beroemen. Vichy werd steeds makkelijker schuldig verklaard, meestal zonder specificaties.

Niemand weet wanneer het Vichy-syndroom definitief tot het verleden zal behoren. Dezer dagen verschijnen weer de nodige boeken. De romanschrijver Marc Lambron heeft er een boze en wilde persiflage aan gewijd (1941). Marc Olivier Baruch heeft een diepgaande studie naar het ambtenarendom tussen '40 en '44 gepubliceerd (Servir l'Etat franis). De gespecialiseerde historici Jean-Pierre Azéma en Olivier Wieviorka komen dezer dagen met een nieuw, groot overzicht.

Rondom het proces-Papon zien allerlei mensen er heil in weer aan de haal te gaan met de geschiedenis. Sommigen maken van de gelegenheid gebruik hun gewetensbezwaren in de opruiming te doen, zoals de rk-bisschoppen van Frankrijk en een grote politievakbond. Anderen houden - zoals de opeenvolgende presidenten De Gaulle, Pompidou, Giscard en Mitterrand - een hartstochtelijk pleidooi voor het sluiten der boeken. Terwijl oud-premier Juppé, burgemeester van Bordeaux, als naoorlogs Fransman vaststelt dat dit ook “het proces tegen een systeem” is, roept de oudere, links-nationalistische minister van Binnenlandse Zaken Jean-Pierre Chevènement op vooral niet te vervallen in “nationaal masochisme”. Het berouw-seizoen verstoort het vergeet-klimaat.

Parmantige parafenHet proces-Papon is de confrontatie tussen één man en het geweten van de natie. De man was fout, maar hoe veel erger was hij dan zijn collega's, zijn landgenoten? En hoe erg vindt de natie dat nu? Meer dan honderdvijftig getuigen (Giscard d'Estaing komt niet), een lijst binnen- en buitenlandse historici, 23 advocaten namens de nabestaanden, vijf namens Papon en een buitengewoon goed voorbereide procureur-generaal gaan het Hof daarover de komende tien weken toespreken.

Zelfs als het proces soms een congres voor historici dreigt te worden zal het helpen om te begrijpen. Hoe gewoon Papon tijdens de jaren van Vichy was. Maar één prefect, die op Corsica, heeft echt geweigerd antisemitische opdrachten uit te voeren.

Het zal misschien ook helpen te begrijpen hoe een man, die als jonge ambtenaar zulke parmantige parafen zette onder de meest gruwelijke ambtelijke instructies, al bij de bevrijding aan de zijde van De Gaulle op het stadhuisbalkon van Bordeaux kon staan. En vervolgens onder die instabiele Vierde Republiek lustig opklom, naam maakte als vooruitstrevend maar zo nodig bikkelhard vertegenwoordiger van Parijs in Algerije. Om schijnbaar moeiteloos op zijn belangrijke post als prefect van politie in Parijs te blijven toen De Gaulle in 1958 het vaderland nog één keer redde en de Vijfde Republiek stichtte.

Opnieuw regeerde Papon - achter de schermen - met efficiënte doch harde hand.

Bij hevige rellen voor een vrij Algerije verdwijnen misschien wel 200 Algerijnse demonstranten in de Seine - de politie weet er meer van maar gaat vrijuit. Net als bij de acht doden in het metrostation Charonne bij nieuwe ongeregeldheden niet veel later. Frankrijk was die revolutionaire fase wat ontgroeid toen Papon in '78 minister werd, na nijver politiek voorwerk als burgemeester, Kamerlid en penningmeester van de gaullisten.

“Zijn geschiedenis is exemplarisch”, schrijft Serge July, oprichter van het dagblad Libération. “Zijn loopbaan weerspiegelt vijftig jaar Franse mentaliteit, een halve eeuw sedimentatie van leugens, van bewuste en onbewuste medeplichtigheden en van min of meer logische arrangementen, tot en met president Mitterrand die (in '94, red.) publiekelijk toegeeft dat hij de berechting van oorlogsmisdadigers heeft afgeremd, opdat de loden deksel weer valt over de verschrikkelijke waarheden die te zien zijn in Frankrijks spiegel.”

Voor het Hof van Assisen in Bordeaux wordt uitgevochten hoeveel Frankrijk wil weten. Dit proces gaat over het herontdekken van de waarheid. Over het verzet tegen een ijdele, gecentraliseerde staat die de waarden van de Republiek vergeet, over de strijd van de macht versus het recht, over het gevecht van een autoritaire cultuur tegen een Frans bestuursideaal dat moreel verantwoording aflegt, over het ontbreken van een democratische traditie.

Maître Jean-Marc Varaut vouwde donderdagmiddag de handen toen hij de jury bezwoer zijn cliënt onmiddellijk te ontslaan van rechtsvervolging. “O, héroïsme solitaire, exceptionnel”, was zijn lyrische typering van Maurice Papon, van “eenzame, uitzonderlijke heldenmoed” temidden van nationaal-historisch zuiveringsgeweld. Het is bijna waar. Papon, de stille, harde dienaar, is een te gaaf symbool van een bepaald soort staat om zijn lot als slachtoffer van de geschiedenis te kunnen ontlopen. Ten onrechte, maar hij heeft het er naar gemaakt.