Opera Madrid herrijst uit poel van intriges

Na een lange reeks verbouwingen en ruzies lijkt de rust weergekeerd in het Teatro Royal, de Opera van Madrid, die morgen officieel opengaat. De akoestiek zou goed zijn, maar de architect van de nieuwbouw barstte in tranen uit bij de aanblik van het schreeuwend barokke interieur.

MADRID, 11 OKT. Na bijna tien jaar van zich voortslepende verbouwingen, vijf maal overschrijding van het budget en een niet te tellen hoeveelheid ruzies opent het Teatro Real, de Opera van Madrid, morgen zijn poorten.

“Er was wat vertraging waar wij als Spanjaarden onze verontschuldigingen voor zouden moeten aanbieden. Maar de contracten zijn getekend, de abonnementen uitverkocht en het publiek toont grote belangstelling”, zo verklaarde deze week een gelukkige Madrileense operatenor Plácido Domingo. “Alle voorwaarden voor succes zijn aanwezig.”

Niettemin zal menigeen opgelucht ademhalen als koning Juan Carlos en het publiek morgen de opvoering van de opera La vida breve (Het korte leven) en het ballet El sombrero de tres picos (De driekante steek) - beide werken van de Spaanse componist Manuel de Falla (1876-1946) - probleemloos uitzitten. De verbouwing van de Madrileense opera was tot dusver immers een kroniek van kommer en ellende.

Hopelijk geen nare ongelukken dit keer, zoals de fatale hartaanval die de verbouwingsarchitect José Manuel González begin 1992 dood op het toneel achter liet terwijl hij een rondleiding gaf. Tevens valt te wensen dat de kroonluchter van de theaterzaal dit maal niet naar beneden komt zeilen. Het 2.700 kilo wegend gevaarte van glas en metaal viel twee jaar geleden van het plafond en liet een krater achter waar een groot aantal van de duurder geprijsde zitjes in verdween.

Terwijl sterren als Domingo, Montserrat Caballé en Alfredo Kraus wereldwijd triomfen vieren, zit het niet mee op het Spaanse thuisfront van de opera. Terwijl in Madrid de verbouwing van de Opera zich eindeloos voortsleepte, brandde begin 1994 het Barcelonese Liceo-theater af. De herbouw van het Liceo zal eveneens nog jaren duren.

Afgezien van de gebruikelijke budgetoverschrijdingen en nare ongelukken was de Madrileense verbouwing een poel van intriges die op zichzelf al stof voor een aardig libretto levert. De smakelijke ruzies tussen het ministerie van cultuur en de Madrileense regioregering, die in een verhouding van 72,5 en 27,5 procent het monsterbedrag van 21 miljard peseta's (bijna 300 miljoen gulden) voor de verbouwing opbrachten, zijn inmiddels bijgelegd.

De laatste rel betreft de inrichting. Francisco Rodríguez de Partearroyo, opvolger van de onfortuinlijke architect González, wil er weinig over kwijt. “De inrichting is niet mijn verantwoordelijkheid”, zo klinkt het door de telefoon. Getuigen zagen de architect in tranen uitgebarsten bij zijn laatste bezoek aan het Teatro. Wie door de salons en ontvangsthallen rond het theatergedeelte wandelt begrijpt al snel waarom. Sinds de conservatieve Partido Popular het heft in handen nam van zijn socialistische voorgangers, werd besloten om het neoklassieke interieur van het gebouw wat gezelliger aan te kleden.

Als inspiratie leek daarbij vooral de schreeuwend barokke inrichting van het nabijgelegen Koninklijk Paleis te dienen. De marmeren mozaïek-vloeren verdwenen onder hoogpolige tapijten, ramen werden verborgen achter zwaar velours, muren bekleed met stoffen behang en plastic imitatie-medaillons. De kleuren zijn lichtgevend groen, zalmroze en paars. In het restaurantgedeelte is met knalrode tinten een Spaanse variant van de Moulin Rouge in het leven geroepen.

Opera-directeur Juan Cambreleng, nog geen half jaar in functie, begint geheel spontaan zelf over de inrichting. “De decoratie valt uit de toon. Het is een compromis, ik ben daar niet tevreden mee”, zegt Cambreleng in zijn kantoor op de hogere verdiepingen. Net als bij de overige nieuwe etages - met hun kantoren en spectaculaire oefenzalen voor het orkest en het ballet - sluit hier de strakke bouwstijl wonderwel aan bij het strenge neo-klassiek van het oorspronkelijke ontwerp.

Het marmer, glas, staal en het donkergekleurde tropische hout staan echter in fel contrast met het boudoir waarin de publiekruimtes zijn omgetoverd, vind ook Cambreleng. Maar het budget laat vooralsnog geen ruimte om de zaak om te gooien, zo verklaart de directeur spijtig.

De inrichting is slechts een van de klippen die Cambreleng, een aimabele, maar tot dusver onbekende verschijning afkomstig van de Canarische eilanden, zal moeten omzeilen. “Het gaat er nu vooral om weer rust en vertrouwen in de opera te brengen”, zo vat de directeur zijn taak samen.

Hamvraag is daarbij of het programma van de komende seizoenen enigszins in verhouding staat met verreweg de duurste investering in een cultuurtempel die Spanje zich ooit getroost heeft. Stéphane Lissner, de voormalige programmeur van het Parijse Châtelet-theater die als Cambrelengs voorganger met slaande deuren uit Madrid vertrok, is weinig hoopvol.

Lissner, die door de socialisten was binnengehaald, had een internationale programmering in gedachten.

De nieuwe, conservatieve regering-Aznar opteert meer voor een programmering van eigen bodem.

“Het lijkt me ridicuul om het Teatro Real voornamelijk te gebruiken voor nationale opera's en Spaanse artiesten. Het is het enige land van Europa waar zoiets aan het eind van deze eeuw nog voorkomt”, zo fulmineerde de 44-jarige ex-directeur bij zijn vertrek naar Aix-en-Provence waar hij als festivaldirecteur is aangetrokken.

De Opera is een politieke speelbal, zo liet Lissner weten. Tot zijn grote ergernis bemoeide de departementale directeur-generaal muziek, de componist Tomás Marco, zich intensief met het beleid. Marcotráfico, zo luidt de bijnaam van diens departement, vanwege de handigheid waarmee de directeur-genraal zijn eigen composities op het programma weet te krijgen.

Staatssecretaris van cultuur Miguel Angel Cortés eiste tot schrik van Lissner een opera van Nacho Cano, een Spaanse rock-ster die zijn beste tijd gehad heeft, om zo 'de jeugd te trekken'.

Ronduit surrealistisch noemde de ex-directeur de vergaderingen van het bestuur van de Operastichting. “Tijdens een van de bijeenkomsten, toen er urgente besluiten waren te nemen over het orkest, het koor, het technische personeel en de uitrusting, zette een van de bestuursleden een flesje parfum op tafel en begon een uitgebreide beschouwing over wat het beste geurtje voor het Teatro Real zou zijn.”

Exit Lissner. Exit daarmee ook diens openingszet waarmee Madrid zich een plaats op de Europese opera-kaart had moeten verwerven: Parsifal van Wagner, uitgevoerd door het Beierse Radio-orkest onder leiding van Lorin Maazel, onder regie van Dieter Dorn en met Plácido Domingo als gasttenor.

Dreigt het Teatro Real daarmee niet reeds bij aanvang zijn internationale status te verspelen? Volgens Cambreleng valt het reuze mee.

“We willen een gevarieerd programma brengen van nieuwe opera's, de klassiekers van de eerste orde en onbekende Spaanse opera's”, aldus de directeur, die het karakter desgevraagd omschrijft als 'een internationaal theater met een specifieke belangstelling voor Spaans werk'.

Als bewijs van het internationale karakter staat voor 1998 inmiddels O corvo branco (De witte raaf) op het programma, de nieuwe opera van Philip Glass die onder regie van Bob Wilson eerst in Lissabon en vervolgens in Madrid getoond zal worden. Van de Nederlandse Opera wordt de productie van Le nozze di Figaro overgenomen, die in de regie van Jürgen Flimm in het Amsterdamse Muziektheater is uitgevoerd. En omdat ook het nieuwe Madrileense theater over een groot toneel beschikt, wil Cambreleng ook in de toekomst naar gezamenlijke projecten kijken.

Er zijn nog wat aanloopproblemen. Zo beschikt de Opera nog niet over een eigen koor, ballet of orkest. Voorlopig is het Madrileense Symphonie-orkest gecontracteerd om voor de muziek te zorgen.

Maar over één ding lijken de deskundigen het eens: de technische kwaliteiten en de akoestiek van het theater voldoen aan de hoogste eisen.

“Een crescendo voor de theaters van de 21ste eeuw”, meent Plácido Domingo. “Het belangrijkste is nu dat de Madrileense opera weer gaat leven en een eigen publiek creeert.”