MONA LISA WAS EEN DRIBBELAAR

Servaas (Faas) Wilkes maakte in 38 interlands 35 doelpunten. Dennis Bergkamp staat na 56 wedstrijden voor het Nederlands elftal op 33 treffers. Vanavond kan hij tegen Turkije de meester van de dribbel evenaren of zelfs overtreffen. Wilkes (bijna 74 jaar) gunt Bergkamp het record. “Hij heeft wat Italiaanse en Spaanse voetballers hebben. Hij is zoals ik artistiek en speels.”

Dat is hem nu, Faas Wilkes. Zoals hij daar loopt, gestoken in een chique kostuum, statig, elegant en zich een beetje dansend voortbewegend. Een gevoel van trots valt niet te onderdrukken wanneer een bewonderaar zich aan zijn zijde laat meenemen voor een korte ochtendwandeling over de Coolsingel. Weinig wandelingen kunnen mooier zijn als die met een van de mooiste voetballers die Nederland heeft gekend.

Tussen de hoge gebouwen weerklinkt het geluid van zijn harde voetstappen. Wilkes loopt niet meer zo gemakkelijk, vandaar. Zijn swingende tred wordt gehinderd. Het zijn de kniegewrichten die niet meer soepel draaien. Hij verontschuldigt zich: veel operaties gehad. Het verzoek of hij nog eens wil laten zien hoe hij een bal op zijn voet hoog houdt, is dan ook een beetje ongepast. “Nee joh, dat is er niet meer bij, dat is voorbij.” Zijn stem verraadt lichte irritatie. Jammer, zo was het niet bedoeld.

Zou het niet mooi zijn geweest? Faas Wilkes op de Coolsingel met een bal aan zijn voeten, slingerend langs de ene lantaarnpaal naar de andere, argeloze voorbijgangers links en rechts passerend om aan het einde van zijn solo met een venijnig schot een ruit van het stadhuis van Rotterdam aan diggelen te schieten. Het zou een doelpunt zijn om in te lijsten en in zijn eregalerij naast al die honderden mooie doelpunten moeten hangen. De realiteit is anders. Wilkes is al bijna 74 - maandag is hij jarig. De tijd dat hij zo mooi voetbalde en scoorde is lang voorbij.

Tijdens de wandeling van zijn modezaak naar zijn stamcafé lijkt ook de vraag naar zijn mooiste doelpunt niet aan hem besteed. Of het nu voor het Nederlands elftal is, voor het Europees elftal, voor Internazionale, Torino, Fortuna '54, VVV, Valencia, Levante, Xerxes of voor zijn eerste club HION - hij weet het niet. Hij denkt minutenlang na, zegt zijn vrouw nog eens te willen raadplegen en besluit ten einde raad de vraag onbeantwoord te laten.

Dagen later weet Wilkes nog steeds het antwoord niet. “Schrijf maar dat doelpunt tegen België, dat ik vanaf de middenstip maakte. Of die tegen Zweden, de enige en winnende, net nadat Zweden olympisch kampioen was geworden. Ja, ze waren allemaal mooi. Joh, ik was geen goalgetter, geen Van Hooijdonk of Kluivert. Ik was meer voetballer, een dribbelaar, bal aan de voeten en gaan. Maar als ik een doelpunt maakte was het een hele mooie. Zulke voetballers zie je weinig meer, voetballers die vier, vijf man passeren en dan scoren.”

En Dennis Bergkamp dan? “Ja nou, die kan het nog wel”, beaamt Wilkes. “Toen ik hem voor het eerst op televisie zag spelen, hij was achttien of zo, belde ik meteen mijn zoon op: 'Ik heb er nou eentje gezien, die kan wat.' Bergkamp is een voetballer naar mijn hart. Ik heb hem wel eens ontmoet.

Toen er een fotoboek over hem werd gepresenteerd en ik geloof nog een tweede keer. Net als ik is hij naar Inter Milaan gegaan. Dat schept een band, toch? Ik hoop dat hij mijn doelpuntenrecord gaat breken. Dan ben ik er van af. Hoef ik geen interviews meer te geven.''

Hij lacht om het ondeugende slot van zijn antwoord. Maar dan is er toch de sportman: de beste willen zijn. Zo onverschillig is hij dus ook niet. “Bergkamp heeft bijna zestig wedstrijden nodig gehad voor zijn 33 doelpunten, en ik maar 38 wedstrijden. Wel even vermelden, meneer.

Goed, dat waren andere tijden, het voetbal was anders. Maar ik scoorde in mijn eerste interland tegen Luxemburg wel vier keer, in mijn tweede tegen België drie keer en in mijn derde ook tegen België twee keer.''

Dat voetbalverleden van hem is al zo lang voorbij. Waarom zou hij er zich nog aan vastklampen? Het was een hele mooie tijd, in Spanje, maar vooral in Italië. Dat weet hij nog goed. Vier jaar vertoefde hij in het land van de onbegrensde schoonheden. Van Italianen leerde hij wat leven is.

Hij had er graag willen blijven. “De mensen zijn spontaan, houden van lekker eten en lekker drinken, ze genieten, van kleren en van mooi zijn. Maar ergens in mijn hoofd was er een stem die zei dat ik naar huis moest, naar Rotterdam. Ik ga nog vaak naar Italië. Ik heb er vrienden en ik spreek nog vloeiend Italiaans. Doordat mijn vrouw en ik sinds 1962 een modezaak hebben, hebben we gelukkig nog veel contact met Italië.”

De namen van de modemerken in zijn zaak Monisima (Spaans voor: heel mooi)

zijn van exquise signatuur. Het past bij de voetballer Faas Wilkes, een man met mediterrane inslag en een artistieke manier van voetballen. Hij hield als voetballer niet van verdedigen. “Op een of andere manier paste vuil, opofferend werk niet bij Wilkes”, schreef Herman Kuiphof. “Ik zie hem nog de 'Wondertent' van VUC binnenkomen. Het was winter 1945-'46 en het Nederlands elftal werd klaargestoomd voor de eerste naoorlogse interlands, tegen Luxemburg en België. De 22-jarige Xerxes-speler was erbij en wie dacht u dat er binnenkwam, een verlegen debutantje?

Wilkes droeg, als enige in die textielschaarse dagen, een fraaie lichte overjas van uitmuntende stof. Te midden van de eenvoudig geklede medespelers leek hij een pauw uit de dierentuin. Niet dat hij zich vervelend gedroeg, maar hij had van nature iets elegants en ook iets zorgeloos.''

Wilkes herkent zijn entree in het Nederlands elftal. “Ik was niet gauw onder de indruk. Ik maakte zelf de sfeer. Ik schepte een beetje op. Ik was een clown, een artiest. Zo voetbalde ik ook. Ik had plezier, wanneer ik de bal had. Dan gaf ik hem niet meer af. Net zoals Ronaldo. Prachtig! Ik hoor alles over systemen en collectieven in het voetbal, joh, ik word er doodziek van.

Voetbal op de tv, kijk ik vaak niet af. Zo saai, breien, op zeker spelen, een individuele avontuurlijke actie is er niet meer bij.

Niemand neemt risico. Ik geloof niet dat voetballers nog plezier beleven. Ze doen alleen wat de trainer zegt.''

Hij refereert aan de trainers die hij zelf meemaakte. “Weet je wat die zeiden? 'Als Wilkes de bal heeft, laat hem dan maar gaan. Het is elf tegen elf, wanneer Wilkes er vier voorbijgaat is het nog elf tegen zeven.' Begrijp je? Ze wilden van mijn individuele kwaliteiten gebruik maken. Zo hoort het. Ik kon ook alles - hoor mij weer opscheppen. Ik kon links en rechts schieten.

Ze hebben van mij gezegd dat ik als enige met mezelf combinerend de bal kon opbrengen. Dat is een talent, maar het is ook een kwestie van aanleren. Zoals ik dat heb gedaan op straat. Tegenwoordig leren ze combineren. Ook goed. Maar het is als voetballer wel vervelend wanneer je een bal afgeeft en hem niet meer of - nog erger - slecht aangespeeld terugkrijgt.''

Slechts af en toe ziet hij nog een voetballer naar zijn hart. “Laatst zag ik Juventus-Feyenoord op de tv. Als Rotterdammer hoop ik het beste voor Feyenoord, maar wat ik daar zag van Feyenoord was beschamend. Die Zidane en Del Piero, die voetballers zie je nooit in Nederland, en die Inzaghi, geweldig. Ik was laatst op uitnodiging bij Feyenoord-PSV. Het was gezellig met oude vrienden. Maar dat voetbal was een verschrikking.”

In het café kennen ze ome Faas. Zijn stemverheffing ontgaat niemand. “Zeg, horen jullie dat? Dat Feyenoord helemaal niks is”, roept hij tegen de mannen van de bediening. Sotto voce zet hij zijn betoog aan tafel voort. “Ik ben Rotterdammer, maar ik heb nooit voor Feyenoord gespeeld.

Toen ik begin jaren zestig uit Spanje terugkwam wilde Feyenoord me graag hebben.

Ik wilde 100.000 gulden in twee jaar. Ze keken of ze water zagen branden. Ze begrepen niks van geld. Ik had best voor Feyenoord willen spelen. Ik vond het altijd heerlijk om met het Nederlands elftal in de Kuip te spelen. Ik heb er ook een keer met Valencia gespeeld. De Kuip zat bomvol en ik speelde fantastisch. Ik werd toegejuicht in Rotterdam. Heerlijk!''

Zakelijk instinct kan Wilkes niet worden ontzegd. Voor wat hoort wat. Een interview, akkoord, maar ook vermelden dat zijn zoon net drie zaken in vrijetijdskleding heeft geopend. Een zwijgzame, minzame man, werd hij genoemd, de Mona Lisa van Xerxes. Een geldwolf was hij niet, maar als het op onderhandelen aankwam was hij sterk. In 1948, toen in Nederland officieel nog geen sprake was van betaald voetbal, voerde Wilkes al zakelijke gesprekken met clubs. “Ik kon met mijn broer Leen in ruil voor twee vrachtwagens bij MVV gaan voetballen. We hadden een verhuisbedrijf in Rotterdam en konden in Maastricht een filiaal openen. Het avontuur ging niet door. De KNVB hield de overschrijving van Xerxes naar MVV tegen. De dommeriken.”

Hij kan zich er nog over opwinden.

“Overal werd betaald. Als een club je een café of een winkel gaf, mocht dat van de KNVB. Maar een paar tientjes in de week aanpakken niet. Karel Lotsy, de voorzitter van de KNVB, is vaak bij me thuis geweest om me te waarschuwen voor de kwalijke kanten van het professionalisme. Ik kon naar het buitenland. Het Engelse voetbal sprak me niet aan, te hard. Italië leek me beter. Toen ik in 1949 naar Inter Milaan kon, aarzelde ik niet. Voor een salaris van 50.000 gulden per jaar. Ja, en handgeld: 72.000 gulden.”

Wilkes straalt als zijn verleden weer tot leven wordt gebracht. Hij herinnert zich de periode bij Inter en Torino - het was een droom. “Moeite met aanpassen? Kom nou. Mijn vrouw en ik kregen een tolk. Na drie maanden sprak mijn vrouw Italiaans, ik nog niet. Toen de tolk vertrok, leerde ik pas goed Italiaans spreken. Zo was ik, op m'n eentje was ik op m'n best.”

Aan zijn tijd bij Inter en Torino mag hij dan intense herinneringen over liefde voor het voetbal hebben overgehouden, Valencia was zijn mooiste club. “Een club met uitstraling. Trouw en eerlijk.” Pas in 1956 keerde hij terug in Nederland, bij VVV, maar niet voor lang. Nog geen twee jaar later kocht hij zich vrij en ging weer in Spanje spelen, hij was bijna 35 jaar. Avontuur, sfeer en geld vond hij alleen in Spanje.

Maar langer dan een jaar bij de tweede divisieclub Levante was hem niet gegund.

Drie jaar speelde hij nog voor Fortuna '54 en zowaar weer in het Nederlands elftal, waarvoor hij tot zijn 38ste werd geselecteerd.

“Ik heb een mooie tijd gehad. Dat is toch het belangrijkste in het leven. Ik heb veel mensenkennis opgedaan in het buitenland. Ik heb fantastische voetballers meegemaakt. Abe Lenstra was erg op zichzelf, maar ik mocht hem. Een moeilijk mens, vooral voor zichzelf. Vergelijk hem maar met Bergkamp. Hij is bang voor vliegen. Dat zegt iets over zijn karakter. Zo'n jongen speelt pas goed wanneer hij zich thuis voelt en wordt gewaardeerd om wie hij is en wat hij kan.”

Even dreigt Faas Wilkes lyrisch te worden over Bergkamp. De bediening van het café spitst haar oren. “Hij verdient het om mijn record te breken. Hij heeft iets wat Italiaanse en Spaanse voetballers hebben.

Zoals ik: artistiek en speels. Wat aan hem ontbreekt is humor. Hij is geen clown. Ik heb ook plezier buiten het voetbal. Ik heb het gevoel dat Dennis alleen plezier heeft als hij de bal heeft. Wanneer er een trainer komt die zegt dat hij niet te veel aan zichzelf moet denken, zie je Dennis weer wegkwijnen. Ik weet het toch. Voetballers met een eigen wil, moet je in ere houden.''