MENSELIJK GENOOM (2)

In zijn 'Universitair naschrift' in W&O van 13 september wil P. Borst ons informeren over de subjectieve en vooringenomen stellingen van de menswetenschappers, van theologie tot sociologie, en hun sombere teneur.

Hij confronteert deze met stellingen van medici in datzelfde boekwerkje, die er blijk van geven gericht te zijn op onderzoek van de objectieve werkelijkheid en hij prijst hun nuttig en optimistisch karakter. Hij construeert zijn betoog aan de hand van de vooruitgang die geboekt wordt in de genetica, die op weg is het menselijk genoom in versnelde draf in kaart te brengen. Zijn eigen stelling uit de jaren zeventig geldt als schoolvoorbeeld waarin het paradigma van de genetica het gezicht van de geneeskunde ingrijpend zal veranderen.

Dat deze verandering positief geïnterpreteerd dient te worden, daarover bestaat bij hem geen twijfel. In zijn column maakt hij zich dan ook vrolijk over de medische studenten die in de jaren zeventig zo kritisch waren over dit positivistische, optimistische wetenschapsideaal.

Ik wil P. Borst herinneren aan een tweetal paradigma's die diezelfde medische studenten in de jaren zeventig tijdens colleges te horen kregen en zij niet alleen.

Het eerste gold de infectieziekten, waarvan beweerd werd dat het einde van dat tijdperk nabij was. Als voorbeeld dienden de pokken die toen bijna wereldwijd waren uitgebannen. Het tweede paradigma betrof de ontwikkeling van het kankervraagstuk, waarvan men verwachtte dat men dit rond de eeuwwisseling misschien niet opgelost maar wel grotendeels onder de knie zou hebben. Het eerste paradigma is niet uitgekomen en staat weer hoog op de agenda en zeker niet alleen door het aids-virus. Het tweede kende weliswaar successen bij een aantal vormen van kanker, maar vooral teleurstellingen bij de meest voorkomende typen. Momenteel hoopt men dat nieuwe ingeslagen wegen, zoals de immunologische en preventief-genetische, meer succes zullen hebben, maar voorlopig is terughoudendheid geboden. In zijn reactie op de relativerende ingezonden brief van prof. W.H. Birkenhäger werkt hij zijn optimistische toekomstperspectief nog concreter uit. Hij voorspelt (W&O, 20 september) dat over twintig jaar door huisartsen op eenzelfde manier genetisch onderzoek zal plaatsvinden als thans bloed geprikt of urine onderzocht wordt. Borst waagt er een goede fles wijn aan als zijn toekomstverwachting niet zal uitkomen. Ik heb twee flessen wijn in de aanbieding, eentje voor het geval zijn utopie niet zal uitkomen en een tweede als zijn verstandige kleinkinderen het advies om hun genoom te laten bepalen in de wind zullen slaan.

P. Borst geeft er enerzijds blijk van de historie door een eenzijdige, subjectieve bril waar te nemen en trekt vervolgens een 'objectieve' natuurwetenschappelijke jas aan van toekomstvoorspeller (waarzegger). Dit naïeve optimisme doet me sterk denken aan de twee voortvarende waarheidszoekers 'Bouvard en Pécuchet'

van Flaubert. Moe gezocht en teleurgesteld moesten zij echter, vele jaren later, constateren: 'Als we wisten hoe ons lichaam werkelijk in elkaar zat, zouden we geen vin meer durven verroeren.'