Literatuurprijs voor Dario Fo is absurd

De toekenning van de Nobelprijs voor literatuur is net zoiets als het invallen van de herfst: het gebeurt ieder jaar, niemand kan er iets aan veranderen en toch wordt er altijd over gemopperd. De ene keer wordt de gelauwerde te licht bevonden (William Golding, 1983), de andere keer vindt men de keuze van de jury politiek correct (Nadine Gordimer, 1991; Toni Morrison, 1994) of juist politiek incorrect (Camilo José Cela, 1989). In sommige jaren zijn de uitverkorenen te onbekend (Vicente Aleixandre y Merlo, 1977), soms zijn ze al decennia over hun hoogtepunt heen (Claude Simon, 1985).

Maar dit jaar zal zelfs nog langer nagepraat worden dan in 1974, toen twee onbekende Zweden werden bekroond, of in 1953, toen Sir Winston Churchill - naar verluidt als verlate dank voor zijn verdiensten in de Tweede Wereldoorlog - de Nobelprijs kreeg voor zijn memoires. Terecht, want met de bekroning van de Italiaanse theatermaker Dario Fo (“voor zijn geseling van de macht en zijn solidariteit met de verdrukten”) heeft de tot twaalf leden uitgedunde jury een bom onder de Nobelprijs gelegd. Niet omdat Fo geen geen miljoenenprijs verdient - hij had al lang de Erasmusprijs moeten krijgen - maar omdat de Nobelprijs voor literatuur nu net de verkeerde prijs is om aan hem te geven.

Het is duidelijk dat er meer juichers dan criticasters waren bij het nieuws van de Nobelprijs voor Dario Fo. Per slot van rekening geldt Fo als de meest gespeelde toneelschrijver ter wereld, is hij de (co)

auteur van meer dan zeventig stukken, en is zijn naam waarschijnlijk bekender dan die van alle andere nog levende Nobelprijswinnaars voor literatuur samen. Aan de zwierige, bijna uitgelaten manier waarop donderdag in het NOS-journaal verslag werd gedaan van Fo's uitverkiezing, kon je zien hoe blij men was dat er eindelijk een prijswinnaar was van wie je meer kon laten zien dan een saaie foto en een handvol boekkaftjes.

Maar op het gevaar af versleten te worden voor aartsconservatief - wie wil er tot het kamp behoren van de Vaticaanse krant Osservatore Romano, die de bekroning van Fo afwijst op moreel-politieke gronden? - zullen literatuurliefhebbers de keuze van donderdag betreuren. In Fo is misschien een genie geëerd, en een groot kunstenaar, maar geen schrijver.

De Nobelprijs voor literatuur is, de naam zegt het al, een prijs voor literatuur: proza, poëzie of drama.

Niet voor regie, mime, commedia dell'arte, politiek engagement, culturele provocatie of een van de andere gebieden waarop Dario Fo de maestro is. Zelfs de grootste bewonderaars van Fo onderstrepen dat zijn toneelstukken “nauwelijks zelfstandig gelezen” kunnen worden en “onlosmakelijk verbonden” zijn met de uitvoering (Kester Freriks, gisteren in Boeken), en dat ze “hun kwaliteiten pas [ontvouwen] als ze worden uitgevoerd” (hoofdartikel NRC Handelsblad, gisteren). Als het Nobelprijscomité voor het eerst sinds Eugene O'Neill (1936) weer eens een toneelschrijver pur sang wilde bekronen, dan waren Harold Pinter of Edward Albee, schrijvers van stukken die ook op het gedrukte papier overeind blijven, betere keuzes geweest.

De juryleden van de Zweedse Academie hebben overduidelijk een daad willen stellen. De blik op het gezicht van voorzitter Sture Allen (de man die heeft geweigerd om zich uit te spreken over de fatwa tegen Salman Rushdie) sprak boekdelen: kijk eens, wij zijn heus niet zo behoudend als iedereen altijd maar beweert. Maar wie het net breder uitwerpt, moet ook de grootste vissen vangen. Bob Dylan, om maar eens een naam te noemen die van verschillende kanten werd getipt als winnaar van de Nobelprijs voor literatuur 1997, had dan nog eerder voor de hand gelegen.

Gestold in boekvorm is Dylan net zo weinig conventioneel literair als Fo, maar zijn teksten (van Blowin' In The Wind tot Not Dark Yet) zijn veel meer geciteerd, bediscussieerd en nagevolgd.

Het failliet van de Nobelprijs voor literatuur is al vaak aangekondigd: in jaren dat er geen keuze gemaakt kon worden (1914, 1935), in jaren dat de jury met (onbekende Zweedse) compromiskandidaten kwam, en natuurlijk in het annus horribilis 1953. Ook het jaar 1997 zal de meest prestigieuze literaire prijs wel te boven komen.

Maar het zou goed zijn als de Zweedse Academie zich naar aanleiding van de bekroning van Dario Fo zou beraden op de toekomst.

Drie jaar voor het honderdjarig bestaan van de prijs, dienen zich twee scenario's aan: of de Academie houdt vast aan de benaming 'Nobelprijs voor literatuur', en geeft de eer en de 7,5 miljoen kronen elk jaar aan één van de tientallen schrijvers die er op grond van hun conventioneel-literaire boeken recht op hebben; of ze maakt van de literaire Nobelprijs een 'Nobelprijs voor de Cultuur', waarvoor alle grote cultuurdragers ter wereld in aanmerking komen. In dat geval is Bob Dylan de eerste die hem zou moeten krijgen.