Hollands Dagboek: Gerard van Westerloo

Journalist Gerard van Westerloo (54) had tot vorige week een leven lang bij Vrij Nederland gewerkt.Nu is hij begonnen als hoofdredacteur van weekblad de Groene Amsterdammer. Van Westerloo woont in Edam, zijn zoon David en zijn vriendin Irene in Amsterdam.Dat blad, nee echt jongen, dat is erger dan familieZeg luister eens, beste kerel, je gaat mijn Groene toch niet kapot maken?

Woensdag 1 oktober

Goed gemikt wel. Gisteren vijfentwintig jaar bij Vrij Nederland.

Na vandaag één dag bij De Groene Amsterdammer. Precies de dag waarop dit veelgeprezen weekblad honderdtwintig jaar bestaat.

Gisteravond, op de trap van de Arena, had mijn zoon David (23) het, na de nipte 9-1 zege van Ajax, nog gezegd: “Morgen, Gerard. Vanaf morgen ga je carrière maken!”

En zie: op het journalist-vijandige tijdstip van zeven uur staat er een limousine uit Hilversum voor mijn Edamse deur, gehuurd door KRO's ontbijttelevisie. Ik mag met de krant achterin onder een lampje: een armlastig hoofdredacteurtje dat aan zijn nieuwe bestaan begint als was hij een mediatycoon.

Dieuwertje Blok vraagt of ik mijn vertrek bij VN na 25 jaar als een scheiding ervaar. Ja, zeg ik, nee, zeg ik, dat wil zeggen, zeg ik: ergens ver in mijn achterhoofd begint het licht te regenen.

Met de trein terug naar Amsterdam want de KRO heeft wel budget voor heen maar niet voor terug. Tijdens de overstap in Weesp zie ik Ursula den Tex de perrontrap opklimmen. Hoe bestaat het! Juist zij! Vijfentwintig jaar geleden heeft Ursula me bij VN wegwijs gemaakt.

Samen reizen we verder naar mijn eerste Groene-dag. Onderweg praten we natuurlijk over Joop van Tijn die ons allemaal met zo'n dubbel gevoel achter heeft gelaten. Wat hebben we van die geestige man gehouden, wat hebben we de journalist in hem bewonderd en wat hebben we geleden onder zijn hoofdredactionele onvermogen om naast zijn VN ruimte te laten voor het onze.

Met lijn 4 naar Westeinde 16.

Op twee hoog zit Martin van Amerongen achter mijn bureau.

Hij heeft zijn spullen al versleept. Wat drie dagen eerder nog een intiem herenboudoir was, is nu een naargeestig leeg hok. Op zijn eerste dag, dertien jaar geleden, heeft Martin de overgordijnen gesloten. Op mijn eerste dag schuif ik ze weer open.

De Nederlandsche Bank heeft er een ronde toren bij gekregen.

We nemen het nummer van de volgende week door, waarvan Martin in sneltreinvaart en in onleesbaar handschrift een plattegrond schetst.

Dan komt Antoine Verbij binnenlopen, adjunct-hoofdredacteur, hart, ziel en weekbewaarder van De Groene. Hij heeft, zegt hij, goed nieuws en slecht nieuws. Het goede nieuws is dat hij vanmiddag op Martins afscheidsborrel en zaterdag op het Groene-feest kan komen. Het slechte nieuws is dat hij de dinsdag daarop naar het ziekenhuis moet en onder narcose. En Marianne, zegt hij, de eindredacteur is met zwangerschapsverlof. En Anne, de andere eindredacteur, vertoont verschijnselen van RSI.

Nog geen uur binnen en ik ben al kapitein zonder stuurlui.

Om half drie zit de redactie vrijwel voltallig rond de ovale tafel die ooit in de bestuurskamer van de Koninklijke Shell heeft dienst gedaan. “Nu dan”, zegt Martin, als hij het komende nummer heeft voorgezeten. Hij staat op. Ik sta op. We lopen op elkaar af. We drukken onze krullen tegen elkaar. Ik loop door.

Martin keert om. Ik ga aan het hoofd van de ovale tafel op de bebloemde troon zitten die De Groene voor haar hoofdredacteur gereserveerd heeft. Martin zegt niets, zwaait en loopt de deur uit. De redactie rond de tafel zwijgt sereen. Een enkeling snottert. Dan neem ik het woord en zeg: “Oké. Het kerstnummer.”

Om half zes is het redactielokaal tot en met de kastplanken gevuld met redacteuren en ex-redacteuren, medewerkers en oud-medewerkers, advertentiewervers, werksters, boekhouders en ex-boekhouders. Max Arian houdt de afscheidsrede, niet alleen voor Martin van Amerongen, maar ook voor Constant Vecht, de Groene-directeur die tegelijk vertrekt. Max noemt hen beiden een gouden koppel waaraan 'een stel meesteroplichters' verloren gegaan is.

Hun motto, zegt hij, is altijd geweest: met De Groene gaat het goed, en verder zijn we bijna failliet.

In mijn toespraakje, gewijd aan de nieuwe koers van De Groene, wijs ik erop dat met de ex-katholiek Huib Schreurs als nieuwe directeur en de ex-katholiek Gerard van Westerloo als nieuwe hoofdredacteur De Groene Amsterdammer, tot voor kort een anarcho-liberaal bolwerk, in handen geraakt is van de Vaticaanse vijfde colonne. Dan brengt een meerstemmig gemengd koor het 'Morgenrood'

ten gehore. In een stuk van Martin heb ik eens gelezen dat hij dit lied niet met droge ogen kan aanhoren. Dat blijkt waar.

Tegen negenen bestormen we met veertig man/vrouw een bevriend Turks restaurant. Tegen tienen geef ik het op om met mijn linker buurvrouw Anet Bleich nog verder over het wezen van De Groene, en met mijn rechter buurvrouw Guikje Roethof over het wezen van de Surinamer te spreken omdat overbuurman Opland, 'Merck toch hoe sterck'

op tafel roffelend, in zijn eentje de decibellen opsoupeert. Het is al ver na elven als hij voorgaat in oud-socialistische strijdliederen waar de jonge garde vreemd en licht gegeneerd bij opkijkt.

Met voorheen de Rijksbouwmeester Tjeerd Dijkstra, zoon van de naoorlogse Groene-oprichter en voorzitter van de 'Stichting De Groene Amsterdammer', rijd ik tegen middernacht terug naar Edam. Leuke avond, zegt hij. Al miste hij de 'totale liederlijke anarchie' van vroeger.

Donderdag

Weinig geslapen. Vroeg op honk. De redactie van De Groene bewoont de eerste en tweede etage. In de jongenskamer op één hoog achter ademt René Zwaap de luchtstroom in die Aart Brouwer zojuist uitblies. In de meisjeskamer op één hoog vóór geeft Xandra Schutte antwoord op een vraag die Eveline Brandt door de telefoon aan iemand anders stelt. Het valt niet aan te nemen dat er op deze wereld een plek is die per vierkante centimeter dichter bevolkt is met journalistiek talent.

Trinette Koomen, de redactiesecretaresse, stelt me voor mijn eerste beleidskeuze. Of ik 'die blaadjes van Martin' aan wil houden. Het betreft De Leeuwarder Courant, de Belgische Morgen en een Oostenrijks opinieblad. Ik schrap de Oostenrijker.

Herhaaldelijk en publiekelijk heb ik reportages van de straat beloofd. Dus bel ik iemand die vervolgens naar Groningen afreist om daar van een verzameling zwarte werksters te vernemen waarom ze onder geen beding Melkertwit willen worden.

's Middags een stoet jongeren over de vloer en aan de telefoon die in De Groene het verlossende woord willen spreken omtrent het menselijke klonen, de toestand in Mali en het werk van de Chinese dichter Wang Shuo.

Stapels halfgelezen stukken dienaangaande op mijn overigens lege kastplanken.

's Avonds met Huib Schreurs, de nieuwe directeur, naar een pakhuis boven een café op het Rembrandtplein waar 'Staats-TV' ons ontvangt in de pianobar van Rob Zwetsloot. Een kwartier na het afgesproken uur arriveert de presentator, gevolgd door zijn medewerkers en voorafgegaan door broodjes warme Van Dobbe-croquet. Als hij die op heeft stelt hij, naar ruwe schatting voor de honderdtwintigste keer, de vraag. Of ik, nu Joop dood is, niet liever bij VN gebleven was om daar.... “Nee”, hoor ik mezelf zeer beslist zeggen en verdomd: op hetzelfde moment wordt het achterin droog.

De overgang is gemaakt. Ik ben Groene.

Onderweg naar huis, onder de overkapping van het benzinestation in Amsterdam-Noord, bots ik tegen mijn broertje Fons op, tevens baas van SBS6. Mooi toch, besluiten we. Hij het Hart en ik het Hoofd van Nederland.

Vrijdag

Voor het laatst, neem ik me voor, naar Amsterdam met de auto. Om elf uur commentaar-vergadering. Gelukkig niet over wat 'wij' ervan vinden, maar over 'wie' van ons ergens iets van gaat vinden. De Groene heeft geen opinie. De Groene-redacteuren wel. Sommigen wel dertig per strekkende kolom.

Tegen twaalven samen met Xandra Schutte op de tram naar de Plantage voor 'Middageditie'. Xandra zegt allemaal geestige en verstandige dingen tegen Felix Meurders. Ik zeg dat De Groene zichzelf moet kunnen bedruipen en dat ik niet veel zin heb aan halfjaarlijkse bedelacties. Pas later realiseer ik me dat mijn ontboezeming De Groene al gauw een ton of twee per jaar gaat kosten. Gelukkig heb ik erbij gezegd dat ik er over drie maanden misschien anders over denk.

Terug op het Westeinde van halfgelezen heelgelezen stukken gemaakt. Tegen middernacht naar en in de armen van Irene die net terug is uit Brussel waar ze tv-opnames gemaakt heeft voor een thema-avond van de VPRO.

Zaterdag

Lang in bed gebleven en veel gelummeld, zodat Irene en ik ons met een taxi naar de Nes moeten reppen waar De Groene, van twee tot ver na middernacht, in diverse zalen het honderdtwintigjarig bestaan viert. Diep ontroerd bij de aanblik van een stokoude kromgetrokken lezer die aan de hand van zijn circa twee jaar jongere vrouw met een Groene-button op zijn borst binnenschuifelt. Mijn blad, zijn levensgezel.

Aan het eind van een middagprogram vol boutades en liefdesverklaringen krijgt Martin van Amerongen namens het gemeentebestuur de zilveren legpenning van de Stad Amsterdam. “Waarom geen gouden”, vraagt hij, ik vermoed uit oprechte verlegenheid. Daarna een schitterend, door Philip Mechanicus aangericht buffet van osseworst, pekelvlees en vele andere lekkernijen o.r.t., die ik samen met Geert Mak, ex-Groene-redacteur en journalistiek mijn tweelingbroertje, naar binnen werk. Geert zegt dat zijn afscheid van De Groene hem een half jaar gekost heeft. Dat blad, zegt hij, nee echt jongen, dat is erger dan familie.

's Avonds in Frascati kom ik de familie tegen. Duizend handen geschud, honderd goede wensen gekregen, tien voorstellen voor - 'dat moet echt in De Groene hoor!' - diepgravende essays beluisterd en één keer ernstig gewaarschuwd tegen mijn voornemen om het blad de straat op te jagen: “Zeg luister eens, beste kerel, je gaat mijn Groene toch niet kapot maken?”

Ondertussen opgelet en goed gezien dat er onder het lezersvolk mogelijk een enkele in schaapswol gehulde, veganistische radencommunist schuil gaat, maar dat het overigens tamelijk jong, behoorlijk slim, beperkt drankzuchtig en, om kort te gaan, lang niet gek is.

Op het podium een tamelijk uitzichtloos debat over links en daarna vele optredens. Eindelijk komt Irene me halen. We dansen tot iemand aankondigt dat we daarmee moeten ophouden, want dat de zaal nu dicht gaat.

Zondag

Rond één uur terug in het lege gebouw van De Groene. Niemand gezien behalve Martin van Amerongen die in en uit komt flitsen. Hij is groots met zijn legpenning. Bij Buitenhof, vertelt hij, heeft hij wethouder Peer gevraagd hoe vaak die penning uitgereikt wordt. Een keer per jaar.

Nee hoor, zeg ik. Twee keer. De vorige heeft Rinus Ferdinandusse gekregen. Toen die wegging bij VN.

Maandag

Tegen tienen druppelen de redacteuren binnen. Om half elf zitten we om de tafel voor de laatste ronde. Ruigoord komt er nog in. En een rondje langs oude CHU'ers en ARP'ers die de nieuwe CDA-lijst te rooms vinden. Ik vrees voor mijn Groningse werksters.

Daarna wat vanaf nu routine moet worden. Krassen in stukken, hulpwerkwoorden op de juiste plaats. “Dat is hier ongebruikelijk”, zegt Aart Brouwer, buitenlandredacteur, als ik hem zijn stuk met streepjes teruggeef.

“Bedankt. Ik stel het op prijs.”

Als ik tegen middernacht naar Irene ga, begint René Zwaap aan zijn derde stuk voor deze week. Het ziet er naar uit dat ook de jonkies Boom en Pleij het ochtendlicht wel halen.

Dinsdag

Met halve eindredactie (Anne Pek, toch geen RSI, en Rob van Erkelens) hele krant gemaakt.

Groningse werksters eruit gevallen. Drie uur later dan normaal de laatste pagina naar de drukker.

Woensdag 8 oktober

Om één uur valt mijn eerste nummer op de redactietafel. Om half vier is mijn eerste redactievergadering voorbij. Mooie ideeën voor het kerstnummer.

Aart Brouwer vraagt of ik mijn plannen met De Groene onder woorden wil brengen. Nee, zeg ik. Nog niet. Wel komt er deze week, voor het eerst in honderdtwintig jaar, een houten kast met voor iedereen een postvakje.