Hoe een joodse overlevende zijn recht moest halen na de oorlog; De verdwenen pakhuizen van Samuel van Cleef

Twee kaaspakhuizen bezat de joodse handelaar Samuel van Cleef toen hij werd opgepakt in 1942. De Duitsers verkochten ze en na de bevrijding moest zijn erfgenaam nog tien jaar strijd voeren om ze weer terug te krijgen. Alfred van Cleef ging op zoek naar de herinnering aan zijn grootvader.

Op de enige bestaande foto van mijn grootouders is het feest.

Met een fles champagne in de koeler proosten ze op een gelukkig Nieuwjaar. Het is 1939.

Mijn grootvader Samuel van Cleef was 52 en zijn vrouw Elisabeth van Cleef-Bosman 41 toen ze op negen augustus 1942 tijdens de eerste huis-aan-huisrazzia in Amsterdam-Zuid uit hun huis werden gehaald. Volgens het Rode Kruis overleden ze “na 10 augustus doch uiterlijk eind augustus 1942 in of in de onmiddellijke omgeving van Auschwitz aan de gevolgen van ziekte, uitputting of vergassing”.

Van mijn grootouders resteert vrijwel niets, maar zes jaar na de dood van mijn vader vertelde mijn moeder mij dat niet alle foto's en brieven van mijn vaders familie verloren zijn gegaan. “Na de oorlog waren er in ieder geval nog één of twee foto-albums”, zei ze. Mijn vader had mij daar nooit iets over verteld.

Mijn grootvader bleek in het begin van de oorlog de familiefoto's en brieven voor de veiligheid te hebben opgeborgen in de brandkast op zijn kantoor, dat later in handen zou vallen van de kaashandelaar Jacob Molenkamp, een van zijn niet-joodse zakenrelaties. “Maar die was niet te goeder trouw”, stelt mijn moeder. “Het terugvragen van de foto's zou betekenen dat je vader uitgerekend die man om een gunst moest vragen en dat wilde hij onder geen beding.”

Onontkoombaar dringt zich bij mij de vraag op: zouden die foto's ruim vijftig jaar na dato nog terug te vinden zijn? Uit een kast haalt mijn moeder een stoffige ordner tevoorschijn. Hij bevat correspondentie over rechtsherstel, met name vele tientallen brieven over 'de zaak Molenkamp' waarvan ik tot op dat moment nog nooit had gehoord. Het conflict tussen mijn vader en Jacob Molenkamp blijkt zich jarenlang te hebben voortgesleept. “De heer Molenkamp schijnt nog niet bereid zich gewonnen te geven”, schrijft mijn vaders advocaat nog in juni 1955. Zijn declaratie verantwoordt hij onder meer met “vele conferenties op het Ministerie van Wederopbouw, het Ministerie van Financiën en zeer vele telefoongesprekken met Den Haag”.

Samuel van Cleef, mijn grootvader, was eigenaar van de firma S.S. Kransberg, groothandel in kosjere kaas. Het bedrijf en de bijbehorende pakhuizen waren voorheen eigendom geweest van mijn overgrootvader die op zijn beurt de zaak weer had overgenomen van zijn stiefvader Salomon Kransberg.

De kaaspakhuizen van mijn grootvader bevonden zich in de Amsterdamse jodenbuurt. Waar hij ooit zijn kantoor en opslagruimte had - Sint Antoniesbreestraat 18 - staat nu een hek met een bordje 'Inrit vrijlaten, los- en laadplaats PTT'. Het zeventiende-eeuwse kaaspakhuis De Sperwer aan de Kromboomssloot 33 bestaat niet meer en heeft plaatsgemaakt voor nieuwbouw.

In de oorlog werd het mijn grootvader als jood verboden zijn zaak voort te zetten en na zijn deportatie eigende de Niederländische Grundstücksverwaltung zich “conform artikel 7 zin 1 van de Verordening van den Rijkscommissaris, nummer 154” de twee pakhuizen toe. Jacob Molenkamp die met mijn grootvader mogelijk was overeengekomen de zaken waar te nemen, zolang hem dat zelf onmogelijk werd gemaakt, huurde de pakhuizen aanvankelijk van de Duitsers en in 1943 kocht hij ze - inclusief de inventaris - voor een totaalbedrag van 29.000 gulden.

Bob Engelsman (75) was mijn vaders vriend en makelaar en als zodanig goed op de hoogte van de zaak-Molenkamp. “Nadat de deportaties waren begonnen, stelden de Duitsers overal een Verwalter aan”, vertelt hij, “en die had maar één doel: het geroofde bezit te gelde maken. Wie te goeder trouw was, kocht nooit zulke panden, want je wist dat die onwettig onteigend waren.”

Toen de panden in de hongerwinter niet meer te redden waren uit slopershanden, wist Molenkamp nog 16.000 gulden terug te krijgen als opbrengst van de afbraak.Na de bevrijding was hij dus eigenaar van twee kavels bouwgrond. Mijn vader - die tijdens de bezetting was ondergedoken - ontdekte uiteindelijk dat Molenkamp de panden in de oorlog had gekocht. Zelf had de kaashandelaar uit Breukelen niets van zich laten horen, naar hij later aan de rijkspolitie zou verklaren “omdat ik niet heb gedacht aan het feit dat de Joden na den oorlog wel weer in het bezit van hun eigendommen zouden worden gesteld”.

Rechtsherstel tussen mijn vader - enig erfgenaam van zijn ouders - en Molenkamp bleek niet op minnelijke wijze mogelijk, omdat ze van mening verschilden over de financiële afhandeling. Molenkamp wilde van mijn vader de volledige koopsom terug die hij destijds aan de Duitsers had betaald, mijn vader wilde dat bedrag juist van hem ontvangen. Mijn vader maakte de zaak aanhangig bij de Raad voor het Rechtsherstel.

In principe werden (de erfgenamen van) de bezitters van onteigend joods onroerend goed na de oorlog weer in hun bezit hersteld. “Maar dat ging niet altijd eenvoudig”, stelt Engelsman. “Want er waren inkomsten en uitgaven geweest. Over de hoogte daarvan gingen de meeste ruzies bij de afhandeling.”

Was de koper een NSB'er dan ging het rechtsherstel meestal vrij soepel.In dat geval was de onrechtmatige koper geïnterneerd en stonden zijn bezittingen onder beheer. Engelsman: “Mijn vader is in de oorlog bevriend geraakt met iemand die meteen toen mijn ouders waren ondergedoken ons huis kocht en er ook zelf introk. Die man bleek later een NSB'er te zijn en die heeft waarschijnlijk mijn ouders zelfs ook verraden.” Ze keerden niet terug, zoals dat heet, en Engelsman kreeg meteen na de bevrijding de sleutels overhandigd van zijn ouderlijk huis.

Volbloed Nederlander Mijn vader had de 'pech' dat Molenkamp geen lid was van de NSB, al is hij wel vanaf het begin van de oorlog fanatiek pro-Duits, zo blijkt uit het archief van de Politieke Recherche Afdeling Collaboratie. Molenkamp zelf verklaarde zijn houding uit economische overwegingen, immers voor kaashandelaren was export naar Duitsland van vitaal belang. Volgens een collega-kaashandelaar zou hij hebben gezegd: “In mijn hart ben ik een echte Germaan.”

Hij blijkt in zijn woonplaats Breukelen een bekende persoonlijkheid te zijn geweest: meer dan twintig jaar raadslid voor de Antirevolutionairen, ouderling van de gereformeerde kerk en de belangrijkste kaashandelaar. Tijdens de oorlog is Molenkamp wethouder en loco-burgemeester en vanaf november 1944 plaatsvervangend burgemeester van Breukelen.

In zijn hoedanigheid van loco krijgt Molenkamp op 22 juni 1942 “onder verwijzing naar de beschikking van den Commissaris-generaal voor de Openbare Veiligheid” het verzoek opgave te doen van door joden ingeleverde rijwielen.

Een dag later dient hij de namen op te geven van alle joodse inwoners van Breukelen en wel “in 6-voud, in alfabetische volgorde - goed overzichtelijk - in het duitsch opgemaakt”. Op 24 juni 1942 ondertekent Molenkamp een verklaring dat de joden A.J. Matteman, J. Messcher en S. van Zuiden ieder een herenrijwiel hebben ingeleverd. Op dezelfde dag stuurt hij de namen van alle joodse ingezetenen van Breukelen naar de Sicherheitspolizei. Twee gezinshoofden zijn gemengd gehuwd, maar Simon van Zuiden en zijn vrouw Sara van Zuiden-Rozevelt worden gedeporteerd en in Auschwitz vermoord.

Molenkamp is de eerste abonnee in Breukelen van de Deutsche Wochenzeitung in den Niederlanden, waarin hij 26 keer een advertentie plaatst voor Feinster Holländischer Bauernkäse J. Molenkamp. Bij zijn verhoor verklaart hij: “Ik plaatste die advertenties omdat Duitsland het land van de toekomst was.

Jarenlang heb ik het Hollandse product kaas in het buitenland hooggehouden en ben volbloed Nederlander gebleven.” Hij stelt ook dat hij meermalen te Amsterdam joden bezocht. “Om geen argwaan te wekken stopte ik de Deutsche Zeitung in de buitenzak van mijn jas.”

Ondanks dit verweer zal hem zijn abonnement op deze krant worden aangerekend, mede gezien andere pro-Duitse handelingen tijdens de bezetting: het bekleden van de functie van buurtschapshoofd van de nationaal-socialistische Nederlandse Volksdienst, het in huis nemen van een Duits kind en het aanwijzen van vluchtelingen en andere burgers om herstelwerkzaamheden te verrichten aan een spoorlijn die door het verzet was vernield. Bovendien had hij gedreigd een dominee die in zijn gemeente verzet predikte, aan te geven. Deze zou na de oorlog over Molenkamp getuigen: “Hij weet heel handig met mensen om te gaan en kan zich zoo voordoen dat ze niet bemerken hoezeer hij iedereen gebruikt voor zijn plannen.”

Onmiddellijk na de bevrijding krijgt Molenkamp huisarrest, wordt hij uitgesloten van het lidmaatschap van het college van B en W en ontslagen als ambtenaar van de burgerlijke stand, “omdat hij door zijn houding tijdens de bezetting geacht wordt het vertrouwen van de bevolking te hebben verloren”.

Zijn vermogen en onroerend goed worden ondergebracht bij het Nederlands Beheersinstituut. In 1947 verschijnt hij voor een van de speciale tribunalen die overal in het land waren opgericht om 'foute' Nederlanders te berechten.

Het in opdracht van de bezetter opstellen van lijsten met namen van joodse ingezetenen geldt overigens niet als een reden voor de tribunalen om iemand te bestraffen. Strafbaar was onder meer het verlenen van steun aan de vijand, het lid zijn van de NSB of een andere nationaal-socialistische organisatie en het voordeel trekken uit de omstandigheden.

Vandaar dat het dossier Molenkamp tientallen getuigenverhoren, rekeningen en boekhoudkundige gegevens bevat over zijn kaashandel, maar dat nergens het aangeven van de joden uit Breukelen zelfs maar wordt genoemd. Aangetoond wordt dat zijn boekhouding weliswaar totaal niet klopte, maar niet bewezen wordt verklaard dat hij een economische collaborateur is geweest. Het tribunaal stelt wel dat de handelingen van Molenkamp “een morele steun voor de vijand betekenden, die ervoer dat er ook in de bezette gebieden personen waren die zich niet vol walging van hem afkeerden doch bereid bleken met hem handel te drijven”.

Uiteindelijk acht het tribunaal het bewezen dat Molenkamp “hulp en steun verleende aan de vijand”, maar dat niet is gebleken dat “beschuldigde zich door andere motieven heeft laten leiden dan door een streven de belangen der Breukelense bevolking te behartigen; dat hij evenwel bij zijn waarnemend burgemeesterschap te veel een politiek van schipperen en bereidwilligheid heeft getoond”.

Ook het aankopen van mijn grootvaders kaaspakhuizen komt in het vonnis ter sprake. Het tribunaal oordeelt dat deze aankoop “generlei zin” had, omdat de panden reeds in handen van de Duitsers bleken te zijn en beschuldigde dit ook had kunnen beseffen, maar dat Molenkamp in dit geval niet doelbewust heeft gehandeld in strijd met de belangen van het Nederlandse volk.

Het tribunaal veroordeelt hem tot tien jaar ontzetting uit het actieve en passieve kiesrecht. Het beheer over zijn volgens het tribunaal “in de bezettingstijd aanzienlijk vermeerderde vermogen” wordt opgeheven, zodat in mei 1948 Molenkamp ook weer gewoon eigenaar is van de bouwpercelen waarop de pakhuizen van mijn grootvader stonden. In Breukelen bleef Molenkamp een omstreden figuur. Op zijn voormalige kaaspakhuis in de Brugstraat bevindt zich een tegel, die hem in 1955 door de 'zelfkazers' werd aangeboden ter gelegenheid van zijn vijftigjarig jubileum als kaashandelaar. Boven een afbeelding van Molenkamp met bolhoed staat een spreuk uit Romeinen 8:31: 'Si Deus pro nobis, quis contra nos?' (Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?)

StromanHet zal uiteindelijk tot 1951 duren voordat de Raad voor het Rechtsherstel uitspraak doet in de zaak Van Cleef-Molenkamp, die ik in het Algemeen Rijksarchief terugvind onder inventarisnummer 830, dossier 50/50: een enorme hoeveelheid correspondentie en bewijsstukken. Zowel uit de brieven van advocaat Van Proosdij aan mijn vader, als uit het dossier van Rechtsherstel blijkt dat Molenkamp alles deed om afhandeling van de zaak te vertragen. Dan weer was hij in het buitenland, dan weer was zijn advocaat overspannen.

Voormalig makelaar Engelsman: “Molenkamp leek mij iemand die probeerde te profiteren van de omstandigheden. Toen het conflict tussen hem en je vader speelde, liep hij gewoon vrij rond en had alle middelen ter beschikking om zich te verweren. Hij heeft dan ook al het mogelijke gedaan om - ik zou bijna zeggen - de zaak te chicaneren.”

De essentie van de kwestie was: handelde Molenkamp met de aankoop van de pakhuizen op verzoek van wijlen Samuel van Cleef of niet? “Er zijn velen die zich erop beriepen dat er afspraken waren”, zegt Bob Engelsman. “Voor zover ik me herinner was dat maar in een heel enkele uitzondering het geval. Meestal zeiden de onrechtmatige kopers dat alleen maar om zich te rechtvaardigen. Ik ben ervan overtuigd dat Molenkamp waarschijnlijk wel iets van de firma heeft wáárgenomen, maar dat is niet hetzelfde als óvergenomen. Ik geloof nooit dat je grootvader aan de verkoop van zijn pakhuizen zou hebben meegewerkt. Die waren al zo lang in de familie, dat bezit geef je niet zo maar weg.”

Molenkamp verklaart zelf bij zijn verhoor in 1947 dat hij mijn grootvader voorstelde diens bedrijf op naam van een stroman te stellen, namelijk zijn zoon. Mijn grootvader weigerde dit, aldus Molenkamp. Ze besloten er begin augustus 1942 nog eens over te spreken. “Maar toen ik me bij het huis van Van Cleef vervoegde, bleek deze reeds te zijn gearresteerd en vertrokken met onbekend adres.”

Omdat Molenkamp op geen enkele wijze kan bewijzen met de aankoop van de pakhuizen op verzoek van mijn grootvader te hebben gehandeld, probeert hij, zo blijkt uit het dossier, in ieder geval aan te tonen dat hij met zijn zakenrelatie Samuel van Cleef op vriendschappelijke voet stond. Voor het eerst van mijn leven zie ik brieven van mijn grootvader, vrijwel zeker de enige die bewaard zijn gebleven. Ik vraag mij af of mijn vader ze ooit heeft gezien.

Op 31 december 1941 schrijft Samuel van Cleef aan Molenkamp, op briefpapier van 'Kaashandel S.S. Kransberg, export naar alle landen': “Mijnheer, bij de wisseling van het nieuwe jaar wil ik mijn beste wenschen voor het jaar 1942 voor U en Uw gezin uiten. Dat deze tijden van oorlog, rampspoed en beproevingen ons allen spoedig mogen verlaten en een tijd van vrede, geluk, voorspoed, welvaart en eensgezindheid moge aanbreken en dat U en Uw gezin daarvan allen in goede gezondheid mogen profiteren.” Molenkamps concept-antwoord staat er in potloodschrift bij. “Hoewel uw jaar niet parallel loopt met het onze mag ik toch ook U Gods zegen, troost en bemoediging toebidden.”

De voorspoed waar mijn grootvader op hoopte, bleef uit. In de zomer van datzelfde jaar wordt het hem als jood onmogelijk gemaakt nog langer kaas in te kopen. In een brief van 14 juli 1942 aan het Bedrijfschap voor Zuivel - ongeveer een maand voor zijn dood - probeert hij nog te redden wat er te redden valt. “Gaarne had ik persoonlijk op uw kantoor gekomen om de zaak te bespreken, echter mag ik in de tegenwoordige omstandigheden niet reizen.

Indien uw besluit om mijn inkoopquantum verder als NIHIL in te vullen onherroepelijk is, dan worden daarmede niet alleen mijne firma benevens haar personeel, maar ook mijne afnemers (...) getroffen.''

Als dit toch zo blijft, dan verzoekt hij het Bedrijfschap om zijn quantum aan zijn collega-kaashandelaar Molenkamp toe te wijzen. Een dag later stuurt hij deze daarover ook een brief: “Ik schrijf u per expresse, daar de onrustige toestand gisteren de geheelen dag duurde.” Zou dit de laatste brief zijn die hij ooit heeft geschreven?

In het archief van de Politieke Recherche Afdeling Collaboratie vind ik een verslag van het verhoor van getuige Willem Kraan, kaashandelaar. In een getypte verklaring waarboven met potlood staat geschreven 'betr Samuel van Cleef, jood', bevestigt hij mijn grootvader vlak voor diens deportatie nog gesproken te hebben. “Zijn zaak was al gesloten. Hij vroeg mij om kaas die hij besteld had en die nog bij een tweetal boeren lag, van hem te willen afnemen. Hij maakte de indruk dat hij dacht dat zijn zaak voor de tijd van de oorlog verloren was. Over overname of mogelijke voortzetting door iemand anders sprak hij niet. Hij had evenwel niet het idee dat hij zo snel weggehaald zou worden.”

Getuige De Levie - ruim twintig jaar bij mijn grootvader in dienst als pakhuisknecht - stelt dat Molenkamp “reeds lang voor de oorlog zin had in de pakhuizen, maar dat Van Cleef deze nooit wilde verkopen.”

De dag na de deportatie van mijn grootvader ontvangt Molenkamp al een brief van de Verwalter, aannemer en makelaar J. van Rijn, waarin deze hem aanbiedt het pand aan de Kromboomssloot met voorkeursrecht te kopen. Uit de archieven blijkt dat Molenkamp duidelijk interesse heeft in aankoop van de panden, maar dat hij dat niet zo maar aandurft. Hij benadert daarom mijn grootmoeders neef S. Lissauer, gemengd gehuwd en dus van deportatie gevrijwaard, die laat weten hem best te willen ontmoeten, “hoewel een afspraak in de stad moeilijk is door het tramverbod en het verbod in cafés te komen”. Bovendien, zo stelt hij: “De heer van Cleef heeft geen volmachten achtergelaten en niemand is dus gerechtigd namens hem op te treden.”

JodenwijkIn april 1943 koopt Molenkamp de beide pakhuizen van de Duitsers, naar later blijkt met behulp van een door een NSB'er - zijn collega-wethouder in Breukelen - verstrekte hypotheek. Na de invasie, als duidelijk wordt dat Duitsland de oorlog gaat verliezen, begint hij zich in te dekken. Als hij zijn makelaar in juni 1944 opdracht geeft een van de pakhuizen te verhuren, schrijft hij: “Zoals u weet heb ik destijds die panden gekocht om ze weer ter beschikking te kunnen stellen mijner oude relatie.” Jacob de Levie, na de oorlog door de politie gehoord als getuige, verklaart evenwel: “Toen de geruchten gingen dat de Joden vergast werden, vlak voor de winter van 1944, vatte Molenkamp het plan op de zaak zelf voort te zetten.”

In de hongerwinter gaat het mis. Overal stroopt de bevolking van Amsterdam de lege huizen van de weggevoerde joden af, op zoek naar brandhout en alles wat maar waarde heeft. Op de Kromboomssloot wordt diverse malen ingebroken en Molenkamp laat in maart 1945 de politie weten dat 432 kaasplanken waarvan 260 van nieuw, prima grenehout zijn ontvreemd alsmede 82 stellingen. Hoewel hij bewaking heeft laten instellen is het andere pakhuis dan al niet meer te redden.

Molenkamp verzoekt de politie alles te doen om in ieder geval De Sperwer te behouden. Hij schrijft: “Afgezien van de finantiële schade achten wij het zeer te betreuren dat zooveel mooie en oude gevels die de herinnering levendig hielden aan de glorietijd van Amsterdam, thans ten prooi vallen aan vernielzucht en vandalisme.” De makelaar constateert “dat het daar in de omgeving der jodenwijk een rommel is”. Als pakhuis De Sperwer dan al gedeeltelijk is afgebroken, vraagt Molenkamp aan Bouw- en Woningtoezicht of “behoud der gevel nog mogelijk is, zonder gevaar voor instorten”. Zo niet, dan wil hij een sloopvergunning. Die krijgt hij en daarmee zijn alle sporen van de firma Kransberg definitief uitgewist.

De Raad voor het Rechtsherstel oordeelt uiteindelijk bij vonnis van 24 april 1951 dat “deze percelen Joods bezit waren, en in het kader der plundering van de Joodse bevolking door den bezetter werden verkocht, zodat Molenkamp niet te goeder trouw was in den zin van artikel 32 lid 1”. Dat Molenkamp bij de aankoop van de panden op verzoek van Samuel van Cleef handelde 'is niet aannemelijk gemaakt'. Niettemin acht de Raad het 'niet onaannemelijk' dat Molenkamp nádat hij de pakhuizen had gekocht toch de belangen van Van Cleef had willen dienen.

Het oordeel van de Raad voor het Rechtsherstel luidt dat mijn vader moet worden hersteld in de eigendom van de bouwgronden en dat Molenkamp hem de sloopwaarde moet vergoeden. Hij zal betaling daarvan overigens nog jarenlang weten te traineren, met als argument dat hem daarvoor het geld ontbreekt, hoewel onderzoek van mijn vaders advocaat uitwijst dat zijn zaak op dat moment goed loopt en dat hij in Breukelen een woonhuis bezat, alsmede twee kaaspakhuizen, acht arbeiderswoningen, één middenstandswoning en een winkel.

Halverwege de jaren vijftig heeft Molenkamp zijn schuld aan mijn vader uiteindelijk volledig voldaan. Maar waar is de brandkast van mijn grootvader gebleven en wat is er met de familiefoto's en de andere bescheiden gebeurd?

KaasliftHet dossier van de politieke recherche bevat daar diverse verklaringen over.

H. Schippers die als student tijdens de oorlog in Breukelen een kaasstelling met bijbehorend kantoor van Molenkamp huurt, verklaart aan de Rijkspolitie dat Molenkamp begin 1943 diverse goederen uit Amsterdam laat overkomen. “Deze artikelen waren afkomstig van de Joodsche firma Kransberg, waarvan Samuel van Cleef de eigenaar was. Onder andere waren hierbij: een brandkast, een elektromotor en een kaaslift. In 1945 was deze brandkast nog steeds ongeopend aanwezig in het pakhuis van de fa. Molenkamp. Volgens zeggen zou dit komen omdat de sleutel hiervan zoek was. Aangezien ik Molenkamp terdege ken, vermoedde ik dat hier iets niet in de haak was.”

Molenkamp zelf verklaart na de bevrijding dat de brandkast “momenteel in gebruik is in mijn zaak, aangezien ik hem in verband met inbraakgevaar naar Breukelen heb laten overbrengen” en dat deze gesloten was toen hij hem in mijn grootvaders pakhuis aantrof; zijn zoon zegt daarentegen in een op dezelfde dag afgelegde verklaring dat de brandkast open was toen zij hem naar Breukelen vervoerden.

H. van der Velde, als boekhouder bij Molenkamp werkzaam, was erbij aanwezig toen in september 1945 een smid uit Utrecht de brandkast openbrak. “Bij deze opening werd ik afzijdig gehouden. Ik vermoedde dat hier iets niet in orde was.Het bevreemdde mij dat deze brandkast eerst enige maanden na de bevrijding geopend werd. Mijn vermoeden is dat zij toen de zekerheid hadden dat Van Cleef niet meer terug zou komen.” Molenkamp bevestigt in februari 1946 desgevraagd dat de brandkast is opengebroken: “Mijn zoon heeft daartoe geheel onnodig opdracht gegeven.” Volgens vader en zoon Molenkamp en volgens de smid, bevat de brandkast na het openbreken niets.Ik had nog heel lang aan Molenkamp zelf kunnen vragen wat er met de foto-albums van mijn vaders familie is gebeurd, want hij blijkt pas in 1980 te zijn overleden, op 95-jarige leeftijd. Ik bel een van zijn zoons. Ja, hij kan zich mijn grootvader en de kaaspakhuizen nog wel herinneren. Van foto's weet hij niets, maar hij zal het zijn oudere broer vragen. Twee weken later spreek ik hem weer. “Toen vader overleed waren er inderdaad allerlei mappen, bescheiden en foto's, waarvan we niet wisten wat dat allemaal was. Wat ermee is gebeurd? Naar de afvalverbranding gebracht.”