Geweld is vervelend, maar ook nodig

Geweld is voor vrijwel alle leerlingen van een stedelijke basisschool dagelijkse kost. Het is iets wat je ondergaat of zelf veroorzaakt. De morele dilemma's en de harde praktijk van groep acht in Amsterdam-Oost.

AMSTERDAM, 11 OKT. Geweld? Dat is pistolen, vechten - dingen die kinderen leren van grote mensen, zegt Iraida. Dat zijn de computerspelletjes die we spelen, zoals 'Killer Instinct' en 'Street Fighter', vindt Joery. Nou, het is ook stoeien op het schoolplein, meent Ali. Dat is iemand pijn doen als die iets over je moeder zegt, volgens Sumaya.

Geweld is ook oorlog, meldt Chaimae. Geweld is zoals die Surinaamse jongen die laatst werd neergestoken voor ons huis, toen ik naar binnen rende en de ambulance belde, zegt Romeo.

Definities van enkelen van negentien elf- en twaalfjarigen, kinderen van basisschool de Eerste Eltheto/Tweesprong in Amsterdam Oost. Anderhalf uur lang praten ze over geweld. Slechts een enkeling giechelt, kort, de meesten kijken ernstig. Geweld is slecht, roepen ze eerst unaniem. Maar dan. “Die computerspelletjes zijn toch wel leuk”, mompelt Marinko.

Shit ja, bekent de helft van de klas die er vaak mee speelt: “Techniek van je vingers gebruiken, is fijn”, aldus Ali. Bovendien moet je soms zelf ook geweld toepassen, ter zelfverdediging, vertellen ze. Vijf kinderen beoefenen om die reden een vechtsport. Iraida: “Ik vind niet dat je meteen een pistool moet trekken om je te verdedigen, zoals bij mij in de buurt. Maar geweld is vaak wel nodig.”

Ze hadden tot de groep van 540 Amsterdamse basisscholieren kunnen behoren die onlangs namens de gemeente is ondervraagd door criminologen. Daaruit blijkt dat de helft van de Amsterdamse kinderen vorig jaar meedeed aan een vechtpartij, één op de tien in een jaar tijd wel eens iemand zo hard heeft geslagen dat hij naar de dokter moest. Acht procent zegt te zijn geslagen, elf procent is bedreigd met een wapen en drie procent is ermee verwond.

Hier in Amsterdam-Oost lijkt de praktijk harder. Iedereen in deze klas (groep acht) zegt wel eens te vechten. “Om kwart over twaalf”, zegt Hoedefa met een ondeugende blik. “Als de school uitgaat”, verklaart meester Bos. Romeo werd een keer zo getreiterd, dat hij per ongeluk iemands schouder uit de kom sloeg. De aanleidingen lopen uiteen: als je tegenstander je uitscheldt in zijn eigen taal en je verstaat het niet. Als iemand voordringt bij springtouw. Als je broertje je voor de zoveelste keer treitert.

Als iemand je familie beledigt.

Met verbale bedreigingen zijn de kinderen vertrouwd. “De kinderen zeggen altijd 'Ik wacht je buiten op', maar dan durven ze meestal niet”, zegt Pressilla op denigrerende toon. “Je moeder en jij mogen alvast een doodskist uitkiezen”, zei een buurtgenoot onlangs tegen Iraida. Ze moeten er een beetje om lachen. Soumaya: “Iedereen roept maar wat.” Het belangrijkste, vinden de kinderen, is dat je je angst verbergt. “Je moet terugdreigen, dan gebeurt er niets.”

Uitgescholden en gekwetst worden, geldt hier als erger. Meester Bos valt zijn leerlingen bij. “Als de groep iemand uitsluit, negeert of pest, denk ik vaak 'dit is ernstig'.

Op de lange termijn brengt dit veel meer teweeg dan een klap.''

Romeo is eén van de weinigen die uitkomt voor een spijtgevoel.

Hij krijgt het als hij zijn zusje te hard heeft geslagen. Triomfantelijk: “Maar soms wil ik haar slaan en dan doe ik het toch niet. Ja, dan houd ik mezelf in.” Zijn klasgenoten hebben verder nauwelijks antwoord op de spijtvraag - ze vinden immers dat ze meestal gelijk hebben. Lafaards roepen in elk geval geen spijtgevoel op.

Volgens groep acht is het moeilijk om een ander te verdedigen die in elkaar wordt geslagen. Meestal gaat het om grotere jongens op straat en als je het slachtoffer helpt, wordt het al snel jouw probleem, stellen ze vast. Wegrennen, is het devies van de meisjes. Toekijken, zeggen de jongens. “Zoals bij die twee mannen die van de week een dronken Surinamer tegen de vlakte sloegen. Hij had een fles in zijn zak en toen zat er allemaal glas in zijn reet. Iedereen dacht dat hij doodging”, zegt Houdefa. De klas moet keihard lachen. Bos: “Vinden jullie dat grappig?” Bij nader inzien niet.

Wat ze zoal zien in deze buurt, dient niet als voorbeeld, zegt groep acht van basisschool de Eerste Eltheto/Tweesprong wijs. Het voorbeeld geven je ouders, vinden ze - als die rustig zijn, word jij dat op den duur ook wel. Wat ze zien is dan ook niet niks. Meisjes van vijftien wier tanden eruit worden geslagen, jongens van zeventien die met een steekwond over de stoep kruipen. Mannen die vechten met een stok in de hand of een fietsslot.

Honden die zijn afgericht op de buren. Zo nu en dan een schietincident. De verhalen worden allengs grimmiger. Ze vertellen ze haastig, maar met veel details. Zijn het mooie verhalen om door te vertellen? Nee, schudden ze hard het hoofd, vervelende verhalen.

Op de lokale televisiezender AT5 - die ze allemaal bekijken - wordt het geweld uit hun wijk op het nieuws weer gemeld. Marinko: “En verder is er 'Peter R. de Vries' en 'Ooggetuige'. Ook tof.”