Een gen voor rechts

Waarom schrijft Pietje links en Jantje rechts, terwijl ons schrift en onze opvoeding erop uit zijn om iedereen, ook Pietje, rechts te laten schrijven? Onze maatschappij is rechts, alle gereedschap is gemaakt voor rechtshandigen, wat brengt Pietje er toe om links te beginnen en links te blijven? Dit is een vraag die veel inventieve geesten heeft beziggehouden, zonder dat een antwoord is gevonden dat iedereen kan bekoren.

Hier wil ik u voorleggen dat het de genen zijn, of liever één enkel gen dat rechtshandigheid bepaalt. Dat is niet mijn idee, maar een hypothese van mijn Amerikaanse collega Amar Klar, een gist-geneticus die zich niet tot gist beperkt.

Voor ik deze hypothese, die mijns inziens goed in elkaar zit, toelicht, eerst wat voorgeschiedenis. Onderzoek naar linkshandigheid is moeilijk, omdat de grens tussen links- en rechtshandig niet absoluut is. Er zijn mensen die linkshandig tennissen, maar rechtshandig schrijven, omdat ze op straat zijn begonnen met tennissen (waar je zelf kan kiezen met welke hand) en op school met schrijven (waar juf zei dat het rechts moest).

Vandaar dat onderzoekers, zoals mijn collega Amar Klar, een extreme definitie gebruiken: wie alles rechts doet is rechtshandig, hier afgekort RH. De rest is dubbelhandig of linkshandig, hier afgekort LH. Dat zullen de RH kunnen billijken.

Het idee dat linkshandigheid genetisch bepaald is, stamt al uit 1911. Dat het nooit algemeen aanvaard is heeft twee oorzaken: In de eerste plaats kun je linkshandigheid afleren, of althans veel LH-kinderen kunnen leren om rechtshandig te schrijven en te knippen. Dat zegt niet zoveel, alleen dat de aanleg voor LH niet zo overheersend is dat iemand niet ook iets met de R-hand kan leren.

Niet echt verbazingwekkend. Er zijn ook mensen die met beide handen piano spelen of RH-violisten die toch aardig wat met de L-hand doen.

Belangrijker is dat er ook genetische gegevens zijn die niet lijken te kloppen met een erfelijke aanleg. Zo heeft 18% van de een-eiige tweelingen een verschil in handvoorkeur, terwijl de kinderen uit een huwelijk van twee LH-ouders maar voor 25% LH zijn. Iedereen met VWO biologie kan zien dat dit niet klopt met een simpel genetisch model voor handvoorkeur. Een-eiige tweelingen zijn genetisch identiek en als handigheid puur genetisch bepaald zou zijn, zouden die tweelingen niet mogen verschillen. Hetzelfde geldt voor die LH-ouders met hun RH-kinderen. Als beide ouders blauwe ogen hebben, krijgen de kinderen ook geen bruine ogen, tenzij ma een misstap begaat.

Voor deze discrepanties heeft mijn collega Amar Klar een aardige oplossing gevonden. Hij denkt dat mensen één gen hebben, het R-gen, dat RH bepaalt, maar dat het niet goed werken van dit gen niet leidt tot 100% LH, maar tot 50% LH en 50% RH.

Klar vergelijkt dit met een T-kruising in de weg. Normaal staat er 'rechts-af voor Hamelen' en slaat iedereen die naar Hamelen wil R-af: 100% Hamelen. Als het bordje ontbreekt, is er 50% kans om de goede afslag te nemen: 50% Hamelen en 50% verkeerde kant.

Met dit simpele model kan Klar veel verklaren. Neem bijvoorbeeld die tweelingen. Alle tweelingen die het R-gen hebben zullen volgens Klar altijd beiden RH zijn. Als ze het gen missen, is de kans op LH respectievelijk RH bij elk van de twee 50%. Als die kans niet door andere genen wordt beïnvloed is het resultaat dat ze in 25% beiden RH zijn, in 25% beiden LH en in 50% een verschil in handvoorkeur hebben. Een soortgelijke verklaring gaat ook op voor de LH-ouders met hun RH-kind. Klar heeft zijn model met een groot aantal berekeningen getoetst, die allemaal aardig lijken te kloppen met de voorspellingen van zijn model. Als verklaring is dit dus voorlopig niet zo gek maar, zoals gebruikelijk, zijn er ook nog andere concurrerende genetische modellen.

Tot zover lijkt het simpel, maar er zijn ook lastiger vragen. Waarom is het überhaupt nuttig om een gen voor RH te hebben? Als beesten geen gen voor rechtspotigheid hebben (RP) - en daar is geen aanwijzing voor -, waarom de mens dan wel? En als zo'n gen nuttig is, waarom doen zoveel mensen het dan vrij goed zonder? Het antwoord is dat handvoorkeur samenhangt met de inpassing van ons spraakvermogen in de hersenen. Bij RH-mensen zit het spraakcentrum bijna altijd links, en Klar denkt dan ook dat zijn R-gen, dat de rechtshandigheid bevordert, vooral tot taak heeft om die concentratie van taalvaardigheid in één hersenhelft mede te bewerkstelligen. Omdat andere zoogdieren het zonder taal doen, hebben zij ook geen pootvoorkeur. Zelfs bij LH-mensen zit het spraakcentrum meestal links, maar in 30% van de gevallen is het rechts gelokaliseerd of over beide hersenhelften verdeeld.

Kennelijk zijn er andere genen, die meehelpen om het spraakcentrum links te krijgen, zodat het R-gen van Klar niet uitsluitend bepaalt wat het eindresultaat is.

Er zijn aanwijzingen dat het wel iets uitmaakt of het spraakcentrum netjes links zit. Kinderen zonder een duidelijke handvoorkeur scoren lager op handvaardigheidstesten en hebben meer kans om later schizofreen te worden. Het blijft daarom vreemd dat zoveel mensen twee niet-functionele kopieën van het R-gen hebben. Het is ook vreemd dat lokalisatie van het taalcentrum gekoppeld is aan handvoorkeur. Dat lijkt mij niet een onontkoombare consequentie van taal. De hersengebieden die onze rechterhand besturen zitten links, dicht bij het spraakcentrum van rechtshandigen.

Waarom nabijheid van het spraakcentrum tot bevoordeling van de rechterhand zou moeten leiden, zoals in de boeken staat, is mij niet duidelijk.

Bij deze complicaties blijft het niet.

Jongens zijn vaker linkshandig dan meisjes. Dat zou kunnen liggen aan sociale druk, waar meisjes gevoeliger voor zijn dan eigenwijze jongetjes, maar er zou ook nog een biologische factor, bijvoorbeeld een sekse-gebonden gen, achter kunnen zitten zoals sommige onderzoekers denken. Opmerkelijke resultaten komen ook uit recent tweelingenonderzoek: Wie van de twee als eerste geboren wordt, heeft een grotere kans om LH te worden. Die kans wordt vergroot als de eerstgeborene ook nog aan de magere kant is. Dit zijn effecten op LH die noch met genetische verschillen, noch met sociale druk zijn te verklaren en er moet dus ook een effect zijn van de omgeving waarin kinderen verkeren vóór en tijdens hun geboorte (de eerstgeborene zit het meeste in de klem bij de baring). Jacob Orlebeke, de Nederlandse psycholoog die dit tweelingenonderzoek heeft gedaan, is dan ook niet gecharmeerd van de gedachte dat de genen doorslaggevend zijn bij de aanleg voor RH. Zo blijkt bij linkshandigheid opnieuw hoe ingewikkeld de invloeden van genen en omgeving, van Nature en Nurture, bij de mens verweven zijn.

Het model van Klar is terug te vinden in het verslag van de Cold Spring Harbor Symposia on Quantitative Biology, vol. 61 (1996) pag. 59-65. Daarin blijkt ook dat Klar niet alles zelf bedacht heeft, maar voortborduurt op het werk van andere genetici. Aan dat stuk en een lang gesprek met Klar ontleen ik ook mijn belangstelling voor linkshandigheid; zelf ben ik RH.

Wel zo makkelijk.