Drs. J.J. Jansen RL

Lopend op weg naar de lagere school kwam ik als kind voorbij een huis met opzij van de voordeur een koperen plaat waarin gegraveerd een naam die mij inmiddels is ontschoten. Achter die naam stond iets vermeld wat mij wel is bijgebleven: leraar Frans MO. Wat mij daarin intrigeerde, was dat het zo afweek van de beroepen die je gewoonlijk achter een naam vermeld zag.

In vergelijking met die andere, zoals arts, advocaat en zeker procureur was leraar toch wel erg gewoon. Ook om nog een andere reden was dat bord een vreemde eend in de bijt, maar ik denk niet dat daarin de oorzaak moet worden gezocht van mijn toenmalige verbazing. Die arts en consorten maakten met hun naambord reclame voor hun winkel, maar die leraar Frans gaf, naar ik aanneem, les op een middelbare school. De vermelding van zijn beroep diende dus niet, zoals bij al die anderen, een publicitair doel, maar had als enige functie, denk ik achteraf, uit te dragen dat hij trots was op wat hij maatschappelijk had bereikt: leraar Frans MO.

De laatste tijd worden door allerlei instanties die daar belang bij hebben, initiatieven ontwikkeld om het aanzien van het leraarsberoep te verbeteren.

Een daarvan is het voorstel tot het aanleggen van een register van 'goede leraren' die voldoen aan een zekere beroepsstandaard. Daarbij verwijst initiatiefnemer oud-leraar G. Verbeek, zo lees ik in deze krant, naar de beroepsorganisatie van artsen. Waarom nu is dit plan van een landelijk register onzinnig en waarom slaat de vergelijking met artsen nergens op? Dat is eenvoudig duidelijk te maken aan de hand van die naambordjes.

De vermelding huisarts geeft aan dat achter dat bordje een geregistreerde arts schuilgaat en dat je er als klant op kunt vertrouwen dat die zijn of haar vak verstaat. Hetzelfde geldt voor de accountant die met RA achter zijn naam aangeeft dat hij als zodanig officieel geregistreerd staat. Bij leraren ligt dat anders. Zij zijn verbonden aan een school. De organisatie school heeft tot taak ervoor te zorgen dat er kwalitatief redelijk onderwijs wordt gegeven en daartoe is nodig dat de medewerkers hun deskundigheid op peil houden. Met een register zeker stellen dat er wordt geschoold en ontwikkeld, doe je alleen waar andere middelen om de klant te beschermen ontbreken. Voor leraren is dat niet nodig, daar heeft zo'n registratie dus alleen nut als vorm van werkverschaffing voor wie straks die lijst gaat bijhouden. Zo'n overbodige registratie past trouwens ook helemaal niet in het streven naar deregulering die ons leven de laatste jaren juist zoveel prettiger heeft gemaakt.

Het feit dat een idee onzinnig is, garandeert helaas nog niet dat het ook niet wordt uitgevoerd. In het krampachtig zoeken naar meer status voor leraren is alles wat professionals als artsen of accountants doen wel gedaan. In plaats van de J. Jansen, leraar Frans MO uit de jaren '50 krijgen we nu een eigentijdse Drs. J.J. Jansen RL. Voor zwakke schoolleiders is zo'n lijst een uitkomst: zij hoeven hun personeel niet langer duidelijk te maken waarom scholing van belang is. Ook baat bij zo'n lijst hebben instellingen als pedagogische centra en lerarenopleidingen die met ongekende energie al jaar en dag maar één nobel doel nastreven, en dat is de eigen werkgelegenheid veiligstellen. In die kringen is zo'n register uiteraard populair. Verplichte nascholing in liefst ook nog eens erkende instellingen. Misschien wel een aardig idee voor Verbeek: ook van de erkende instellingen een register aanleggen.