De koningin subsidieert aards surrealisme

Tentoonstelling: Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst, Koninklijk Paleis, Dam, Amsterdam. Dag. 12.30-17u. T/m 26 oktober.

Wie kent 'm nog, de kunstenaar Bob Ross? Of kunstenaar... Ross was eerder de schilderkunstige equivalent van een sneldichter op 4 december. Hij gaf schilderles op televisie, meestal rond vier 's uur middags, en liet dan zien hoe een ieder thuis een rustiek landschapje of romantisch berggezichtje kon vervaardigen. Tevreden zat Ross achter zijn ezel, een likje wit hier en een tipje groen daar, ('let's give this tree a nice little friend') en vervaardigde zo binnen een half uurtje een schilderij dat de gemiddelde romanticus met vreugde naast zijn huilende zigeunerjongetje zou hangen.

Gezien Ross' status als plaatjesschilder was het alleen maar een kwestie van tijd voor de eerste 'serieuze' kunstenaar als commentaar op de schilderkunst iets met Ross zou gaan doen. Op de Koninklijke Subsidie voor Schilderkunst dient die zich nu aan: hij heet Paul Smit en schilderde een computermuis, met oogjes, armpjes en een pet, die is aangesloten op een videorecorder waarop - jawel - een video van Bob Ross. Het laat zich dan ook raden wat de muis uit zijn kwast tovert: een romantisch berglandschapje, gelikt tot in de derde macht. Maar als statement haalt het niet veel uit, want het werk van Smit is ongeveer even glad als dat van Ross: hij onderscheidt zich voornamelijk door zijn moderne, licht ironische thematiek.

Paul Smit is daarmee exemplarisch voor het probleem waarmee veel jonge schilders worstelen: hoe overstijg ik het plaatje? Want dat is de dominante gedachte die iedere schilder heeft overgehouden aan decennialang doodverklaren van de schilderkunst: schilderen is geen plaatjes maken, een schilder dient een eigen werkelijkheid in verf te creëren. Dat probleem blijkt echter onverminderd aantrekkingskracht uitoefenen op jonge kunstenaars: voor deze Koninklijke Subsidie dienden zich maar maar liefst 457 kandidaten aan. De jury koos uiteindelijk vier winnaars die ieder 10.000 gulden ontvangen en twee werken op de tentoonstelling mogen tonen en veertien 'eervolle vermeldingen' die op de expositie in het Koninklijk Paleis met één doek zijn vertegenwoordigd.

Ondanks het grote aantal inzendingen blijkt 1997 geen opmerkelijk jaar voor de schilderkunst. Dat zie je al aan de winnaars: Frank Lenferink, Paul Nassenstein, Dieuwke Spaans en Serge Verheugen schilderen vaardig maar weten geen van allen te imponeren; ze zijn nog te druk bezig met het ontstijgen aan het plaatje, een eigen thematiek dient zich nauwelijks aan.

Het intrigerendst is het werk van Dieuwke Spaans, die grote, vervreemdende tekeningen maakt waarop valse koppen, gespierde vrouwen en groteske narren zijn te zien - Otto Dix en Georg Grosz zijn erin te vinden, maar ook het werk van jurylid Charlotte Schleiffert lijkt Spaans niet vreemd.

Als er verder op deze tentoonstelling iets duidelijk wordt, is het dat de tijd van abstractie voorbij is.

Een aards soort surrealisme voert de boventoon, herkenbaar, maar niet al te realistisch - de angst voor 'plaatjes' zit er diep in. De besten van de 'eervolle vermeldingen' zijn Marcel Doorduin, die een modern glazen bankgebouw zo weet te schilderen dat het bijna transparant lijkt, Barend van Hoek, die een merkwaardig tafereel schildert van twee dunne, stakige vrouwen in de natuur en Marijke Heine met een klein, vervreemdend drieluik.

Werkelijk grote talenten dienen zich op deze tentoonstelling niet aan, voor zover je dat tenminste kunt beoordelen op grond van maximaal twee schilderijen.