David Quammen: diersoorten sterven uit door de versnippering van het landschap; De zwanenzang van de dodo

Dieren die op eilanden leven zijn kwetsbaar - of dat nu een echt eiland is of een eiland tussen wegen, woonwijken en vliegvelden. De Amerikaanse journalist David Quammen reisde de wereld af op zoek naar de gerafelde fragmenten van het dierenrijk. Binnenkort verschijnt de vertaling van zijn boek. Elk dier kan een dodo zijn.

De wereld versnippert. Ook hier in Bozeman, Montana, een Amerikaans dorp met nog geen twintigduizend inwoners. Bossen en weiden hebben plaatsgemaakt voor vestigingen van K Mart, Kentucky Fried Chicken, Exxon, Taco Johns, Progressive Real Estate Consultants, Village Inn Pizza Parlor, Holiday Inn, Sunset Motel. Het plaatsje heeft zelfs zijn eigen vliegveld.

“Natuurgebieden worden in stukken geknipt door dorpen als Bozeman. Een uur rijden hier vandaan ligt het Yellowstone National Park. Dat grensde ooit aan het Canadese Glacier Park, zo'n vierhonderd kilometer verderop. Die twee zijn inmiddels van elkaar gescheiden door de aanleg van dorpen, wegen en landbouwgronden”, zegt David Quammen (50).

“Bizons, wolven, grizzly-beren, wapiti-herten, buffels, ze konden allemaal van het ene gebied naar het andere trekken om zich daar met soortgenoten uit een andere populatie voort te planten. Daardoor bleef de genetische variatie op peil, en dat hield de soort gezond. Door de versnippering kunnen populaties elkaar niet meer bereiken. Ze gaan bijvoorbeeld aan inteelt lijden en zijn daardoor kwetsbaarder geworden.”

Er schijnt een aangename zon in de kleine tuin achter Quammens rijtjeshuis in Bozeman. Hij gaat gekleed in een vale spijkerbroek en een houthakkershemd en draagt het haar in een kort, stevig paardenstaartje. Behalve freelance-journalist is hij de auteur van The Song of the Dodo, een onlangs verschenen boek over een nogal triest onderwerp: uitsterven. Des te verrassender is zijn schrijfstijl, niet grauw en apocalyptisch, maar spannend, informatief en zelfs humoristisch.

Maar als we het over zijn woonplaats hebben, in een staat die algemeen als woest en ongerept wordt beschouwd, is zijn ergernis zichtbaar. “Versnippering zie je overal. Een groot deel van het bos hier is nationaal bos, en niet nationaal park. Dat betekent dat het eigendom is van het ministerie van Landbouw en dus gekapt mag worden. Ze zeggen dat ze daarmee banen creëren, dat ze de economie voortstuwen. De biologische diversiteit gaat echter achteruit.”

Wat hij nog het ergste vindt, is het groeiend aantal mensen dat een droomhuisje bouwt op het platteland en in de bossen. “Ze komen naar Montana en zeggen, oh wat is het hier prachtig, ik wil hier wonen en één zijn met de wildernis. Ze kopen een stuk land in de bergen, zetten er een huis neer en denken dan te leven in de geest van Henry David Thoreaux, de negentiende-eeuwse schrijver die zich terugtrok in een hutje bij Walden Pond. Die mensen zijn dom, hypocriet en contraproductief. Ze vernielen wildpassages en winterverblijven. Dat is geen liefde, maar verkrachting.

Ze veranderen natuur in voorsteden.''

Quammen is zelf ook 'import': hij groeide op in Cincinnati, Ohio, en woont sinds 1973 in Montana. Doet hij niet mee aan die 'verkrachting'? “Ik zal niet verkondigen dat ik heilig ben.

Maar ik woon in een klein rijtjeshuis. En ik blijf hier wonen ook al heb ik nu, mede door het succes van mijn boek, het geld om een groter huis te kopen of iets in de bergen neer te zetten. Het is een kwestie van proporties.''

Mierendeskundige

Aanleiding voor Quammen om The Song of the Dodo te schrijven was een wetenschappelijk werkje uit 1967, The Theory of Island Biogeography, van de mierendeskundige Edward O. Wilson en de mathematicus Robert MacArthur. Zo klein als het boek was, zo groot was zijn impact. MacArthur en Wilson verzamelden bergen gegevens over mieren op Melanesië, vogels op de Filippijnen, kevers op de Antillen. Ze vroegen zich af: hoe vestigen nieuwe soorten zich op een eiland, hoe vaak gebeurt dat? Hoe snel sterven soorten op eilanden uit? En is er een verband tussen kolonisatie en uitsterven? MacArthur en Wilson ontdekten dat een eiland maar een bepaald aantal soorten kan herbergen. Zit het eiland nog niet vol, dan koloniseren er meer soorten dan er uitsterven. Op een gegeven moment wegen uitsterven en koloniseren tegen elkaar op. Een ecosysteem op een eiland heeft de neiging zich naar die balans te bewegen, die gehandhaafd blijft zolang er geen verstorende factoren optreden.

In die laatste opmerking lag de bom. MacArthur en Wilson hadden er in hun boek al kort op gezinspeeld. “Dezelfde principes zullen in de toekomst breder toepasbaar zijn, en wel op de voorheen aaneengesloten natuurlijke habitats die nu worden verbrokkeld door de zich opdringende civilisatie.” Of zoals Quammen schrijft in The Song of the Dodo: “Stel je een mooi Perzisch tapijt voor. Met een mes wordt het in 36 gelijke delen gesneden. Hebben we nu 36 mooie Perzische kleedjes? Nee. We blijven zitten met drie dozijn gerafelde fragmenten.”

Het Perzisch tapijt is het vaste land, het mes symboliseert de mens die van het land een verzameling eilandjes maakt. Hoe kleiner een eiland, hoe minder soorten het kan herbergen. Grote dieren, die vaak veel ruimte nodig hebben, leggen als eerste het loodje. De grizzly-beer heeft het moeilijk in het krimpende Yellowstone National Park, in Bryce Canyon National Park vind je geen vossen meer, de Aziatische leeuw is uit bijna heel Azië verdwenen. “Drup, drup, drup...

soorten verdwijnen... Hele categorieën planten en dieren gaan in lucht op'', schrijft hij.

Arme beesten Achter de tuin van Quammens ouderlijk huis begon een uitgestrekt bos waar de jonge David vaak urenlang ronddwaalde. Hij sleepte alles mee naar huis: slangen, amfibieën, vlinders, insecten. “Ik hield ze in de garage onder het voorwendsel dat het huisdieren waren. Ze bleven niet lang leven. Ik heb die arme beesten nogal misbruikt.”

Schrijven was zijn andere passie. In zijn tienerjaren schreef hij gedichten, verhalen, toneelstukken. “Het zijn altijd die twee dingen geweest, natuur en schrijven.

Soms dacht ik, misschien wordt ik wel bioloog. Of herpetoloog, toen ik net geleerd had wat dat woord betekende. Andere keren wilde ik niks liever dan schrijver worden. In The Song of the Dodo komen die passies samen.'' Hij heeft er acht jaar aan gewerkt, twee keer zolang als gepland.

Op de middelbare school verloor David de natuur uit het oog.

“Mijn leraren Engels waren zeer inspirerend, de biologieleraren absoluut niet. Daarna ging ik naar de universiteit van Yale, volgde daar een prachtig literatuurprogramma en ontwikkelde een obsessie voor Faulkner.” In 1973 verhuisde hij naar het dorpje Ennis in Montana. Na een paar weinig succesvolle romans werd hij midden jaren zeventig ghost writer van een fysicus, tevens directeur van een onderzoeksinstituut.

Twee jaar lang schreef Quammen onder diens naam een column over atoomfysica, het Manhattan-project en Oppenheimer, het brein achter de atoombom. Het werd zijn kennismaking met de wetenschapsjournalistiek.

Daarna verhuisde hij naar Bozeman en volgde colleges zoölogie aan een nabijgelegen universiteit. “Ik ontdekte dat ik met veel plezier over de natuur kon schrijven en er ook nog voor betaald kreeg.” Hij begon als freelancer over evolutie, ecologie en natuurbeheer te schrijven voor bladen als Harper's, Esquire en Rolling Stone. Vijftien jaar lang schreef hij verhalen en essays voor het natuurblad Outside, waarvoor hij twee keer de National Magazine Award ontving.

Evolutietheorie

Zo'n tien jaar geleden stuitte Quammen in de geschiedenisboeken op Alfred Russell Wallace, de bescheiden Brit die tegelijkertijd met Darwin de evolutietheorie formuleerde, maar daar nooit erkenning voor heeft gekregen.

Quammen besloot een biografie te schrijven over deze underdog.

“Wallace was niet opgeleid als wetenschapper. Hij had amper geld. Hij reisde de wereld rond, verzamelde en verkocht allerlei opmerkelijke planten en dieren en verdiende zo zijn brood. Darwin is een zeer bewonderenswaardig persoon, maar tegenover Wallace heeft hij zich van zijn slechtste kant laten zien. Wallace en Darwin kwamen tegelijkertijd op een vergelijkbaar idee. De rondreizende Wallace stuurde zijn ideen naar Darwin, maar die bracht ze pas in de openbaarheid nadat hij zijn eigen theorie goed en wel op papier had. Darwin heeft dat nooit toegegeven.”

Quammen had nog een ander boek in gedachten, over een ramp die zich eind jaren zeventig en begin jaren tachtig op het eiland Guam had voltrokken. Een onbekend iets richtte een slachting aan onder de lokale vogelpopulaties.

Achteraf bleek de oorzaak een door de mens geïntroduceerde slang. Quammen: “Ik wilde de catastrofe in een wat breder perspectief plaatsen en zocht naar wat extra informatie. Daarmee boorde ik een enorme berg literatuur aan. En alles leidde naar dat ene boek, The Theory of Island Biogeography van MacArthur en Wilson.

“Ik realiseerde me op een gegeven moment dat ik de controverse tussen Wallace en Darwin en het verhaal over Guam in een boek kon, nee, moest stoppen. Dat werd The Song of the Dodo. Wallace geeft wat extra menselijke kleur aan het hele verhaal van uitsterven.”

De trieste boodschap - de versnippering van het vaste land en het versnelde uitsterven door de oprukkende mens - werkt Quammen in de laatste tweehonderd pagina's van zijn boek wat dieper uit. In de voorgaande vierhonderd beschrijft hij zijn reizen naar Bali, Lombok, Krakatau, de Galapagos, Tasmanië en nog veel meer eilanden. Op Komodo komt hij oog in oog met een drie meter lange, honderd kilo zware hagedis. Op Aru vangt hij een glimp op van een zeldzame paradijsvogel met een satijngele kop, een iriserende groene keel en kastanjebruine vleugels waaronder twee enorme felgele pluimen uitsteken.

Op Mauritius zit hij urenlang naar een aantal gigantische schildpadden te staren - zich realiserend dat de dodo uit de titel van zijn boek hier in 1662 is uitgestorven.

Op Madagascar speurt hij naar een unieke apensoort. Op een van de Galapagos eilanden ziet hij zwarte leguanen die in zee duiken om hun voedsel te vergaren.

Op weg naar Madagascar maakte hij een stop op Mauritius.

Het plaatselijke natuurmuseum bezit een skelet van een dodo, zo wist hij, één van de slechts vijf die er op de wereld nog bewaard zijn gebleven. De conservator van het museum zag hem aan voor een anatoom. “Kom morgen maar terug”, had die gezegd. “Dan zijn we weliswaar gesloten, maar ik haal de vitrine weg, dan kun jij je metingen verrichten.” Quammen verrichtte geen enkele meting. Hij zat alleen maar naar het skelet te kijken. Urenlang. “Ik probeerde me de dodo als een levend dier voor te stellen, met vlees, vet en veren. Ik wilde hem in het boek meer laten zijn dan alleen maar een symbool voor domheid. Het dier was niet dom - het was juist goed aangepast aan de leefomstandigheden op Mauritius. Hij kon niet vliegen omdat hij vet was, en hij was vet omdat hij in korte tijd veel moest vreten. Hij eet namelijk fruit en dat is er slechts een paar weken per jaar.

De dodo legt dan een vetreserve aan om de magere tijden van het jaar door te komen. Dat soort aanpassingen was belangrijker dan de capaciteit om te vliegen.

Hij legde zijn eieren op de grond.

Dat was geen probleem, er waren toch geen roofdieren.''

De dodo staat symbool staat voor Quammens onderwerp.

“Soorten op eilanden zijn kwetsbaar. Door de komst van de mens verdween de dodo in minder dan een eeuw van de aardbodem. Op andere eilanden worden soorten verdrongen door de ratten, katten, geiten en slangen die er door de mens zijn geïntroduceerd.”

Hij vlecht er ook persoonlijk getinte verhalen doorheen. De moord op een jeugdige gids in Madagascar bijvoorbeeld. Of het verhaal van het laatste telefoongesprek dat Ed Wilson voerde met zijn vriend Robert MacArthur die in 1972 stierf, vijf jaar na het verschijnen van The Theory of Island Biogeography. “De versnippering van het vasteland is slechts een deel van het boek: naast een wetenschappelijke waarschuwing moet het ook een leeservaring zijn. Ik wil een encyclopedie van biologische rijkdom presenteren waarvan mensen kunnen genieten.”

Spanish Peaks Laat in de middag vraagt Quammen: “Heb je wel eens bizons gezien?” Een kwartier later stuurt hij zijn blauwe Honda over een versleten landweggetje richting de Spanish Peaks, een prachtige bergformatie. En plotseling begint hij over oplossingen, over een succesvol natuurbeheer. “We hebben intacte ecosystemen nodig om die biodiversiteit in stand te houden. En we hebben mensen nodig die zich bekommeren om die ecosystemen.” Sinds enkele jaren is hij bestuurslid van de Liz Claiborne Art Ortenberg Foundation, een stichting die jaarlijks twee miljoen dollar doneert aan natuurbeheerprojecten. De subsidies variëren van vijf- tot soms wel tachtigduizend dollar. “Op Madagascar loopt een klein project dat wordt geleid door de antropologe Allison Richard. Ze probeert de lokale bevolking te stimuleren om op duurzame wijze gewassen te telen en dieren te houden. Bovendien bestudeert ze er lemuren.

Zulke projecten moet je klein houden. Als ze groot worden krijg je met corruptie te maken. Dat hebben we bijvoorbeeld gemerkt in west-Afrika, waar we vier jaar achter elkaar tachtigduizend dollar in een project hebben gestoken. Het heeft niks opgeleverd.

De regering lag dwars, de medewerkers werden ziek en gingen weg.''

Quammens grote voorbeeld ligt in India. Het is een park van 1400 vierkante kilometer groot, zo'n beetje de enige plek waar de Aziatische leeuw nog voorkomt.

“In dat park zitten er 250 tot 300 exemplaren, maar daar wonen ook de Maldhari, een traditioneel volk, in kleine hutten die afgezet zijn met stapels gedoornde takken van de acaciaboom. De Maldhari houden waterbuffels en koeien en verkopen boter en melk. De dieren lopen overdag los rond, 's nachts worden ze binnen de afrastering gebracht. Soms wordt er een buffel vermoord door een leeuw, soms zelfs een Maldhari.

Maar dat accepteren ze. De leeuw is geen slecht dier, zeggen ze, hij maakt deel uit van het bos. Zo moet je je natuur conserveren.

Waar mensen de natuur accepteren zoals hij is, daar moet je hulp bieden. Je kunt bijvoorbeeld een internationale markt creëren voor Maldhari-boter.''

Voor ons liggen frisgroene weides die geflankeerd worden door lage bergen. “Wat je daar ziet grazen, zijn allemaal bizons.” Het zijn honderden dieren. De voorste staan op nog geen twintig meter afstand en trekken langzaam voor de auto langs. De stevige schouderpartij is bedekt met een dikke bruinzwarte vacht. Een enkele stier maakt korte, donkere keelgeluiden, kalfjes halen capriolen uit en rennen daarna snel naar moeder. Het lijkt helemaal niet zo slecht te gaan met de bizon. Maar even verderop staat het ontnuchterende bord: Flying-D Ranch. “Alles wat je net hebt gezien is eigendom van mediamagnaat Ted Turner. Hij fokt hier bizons en verkoopt het vlees. Zoveel bizons bij elkaar zul je in het wild niet vaak meer zien.”