Cuba door de ogen van een oude Italiaanse communist; Ze lachen verdomme nog steeds

We hebben de goedkoopste verkiezingen ter wereld omdat we maar één partij hebbenHet Europese communisme had Massimo allang afgezworen. Maar van Cuba is hij altijd blijven dromen. Een Italiaan op zoek naar het communisme onder de zon. Een zee zonder vissers, onbetaalbare benzine en communistisch gebrouwen bier. 'Nee, no, nada, dit smaakt nergens naar.'

Ik hoef niet te weten hoe groot de economische misère is. Dat ken ik al. Wat ik wil weten is hoe groot het uithoudingsvermogen van de mensen nog is, voordat de doos van Pandora openbarst.''

In het vliegtuig naar Havana woelt Massimo Marletti (46) onafgebroken door zijn snor. Maar anders dan zijn bronstige reisgenoten is Marletti niet op weg naar een avontuur van erotiek tegen lage prijzen. Verpleger in Rome, een leven lang vakbondsman, en lid van wat ooit de grootste en meest 'dwarse' communistische partij van West-Europa was.

Lang voor de val van de Muur vocht Massimo al binnen zijn partij voor de overstap naar een meer 'gewone', democratisch-socialistische signatuur. De Sovjet-Unie kent hij goed. En zijn twijfels begonnen al vroeg. “Daar waren we voor de tweede keer met onze vakbondsdelegatie. Een week lang doodgegooid met cijfers. De productie zus geweldig, het aantal woningen zo subliem. Toen rees in mijn Italiaanse kop de vraag: als alles hier zo fantastisch is, waarom lácht er dan niemand?”

Toen de communistische partij van Italië zich in 1990 omvormde tot een democratisch-socialistische partij, stak Massimo de vlag uit. En toch. In zijn dromen bleef Cuba woekeren. “We waren van dezelfde soort”, zegt Massimo en hij vertelt over zijn eerste ontmoeting met Cubanen. Zestien was hij. Een stijf en donker congres van communistische jongeren in Bulgarije. Er moest worden gemarcheerd en zwijgend naar redevoeringen geluisterd.

Op de campus van strakke flats ontmoette de Italiaanse delegatie de Cubaanse. Het was de tweede dag en het klikte meteen. Vlaggen werden uit elkaar gescheurd, en tot hele nieuwe in elkaar genaaid.

“Toen we het stadion binnenmarcheerden waren we één groot zootje fantastische vlaggen”, vertelt Massimo glimmend. “Niemand wist meer wie we waren.”

Daarna kwamen de nachten. Culturele uitwisselingen tussen rum en grappa. Dans, zang en liefde tot in de vroege ochtend.

Massimo en zijn kameraden werden door deze ervaring getekend. De Cubanen met hun plezier. Dat leek op het 'communisme onder de zon' waarvan ze droomden: vrijheid, gelijkheid en genot.

Het leven bracht omwegen.

Maar de laatste paar jaar begon hij te sparen. “Ik moet Cuba zien voordat die ouwe hem peert.”

Wat betreft de vrijheid en de gelijkheid in het Cuba van Castro heeft Massimo weinig illusies meer. “Ik ben genoeg in het Oostblok geweest om te weten welke draken het communisme baart.”

Maar hoe zit het met het plezier?

En hoe overleeft een land dat tot 1990 volledig in de luiers is gelegd door de Sovjet-Unie? Was er geen graan meer, een week later lag er een Russische boot in de haven.

Brandstof werd vrijwel gratis geleverd. Tachtig procent van de handel verliep met de Oostbloklanden. Nu peddelt Cuba in zijn eentje op de vrije wereldmarkt.

Met daarbij de handicap van een Amerikaanse handelsboycot die sinds 1992 steeds harder is geworden.

“Putana madre.” Angstig houdt Massimo zijn handen op zijn billen. “Het zit hier vol flikkers!” Dat is dan alvast opgelost, verzucht hij even later. Open en bloot flirten mannen in het centrale park van Havana met elkaar.

Sommigen kussen elkaar op de verweerde bankjes waarvan alleen het ijzeren geraamte nog over is. Anderen wandelen hand in hand door het onkruid. En dat in een land dat tot voor kort homoseksualiteit als een ziekte beschouwde en de moraalschenners opsloot.

De eerste nachtelijke indruk van de stad is als een film van veertig jaar geleden. Af en toe rijdt er een oude Cadillac over de brede boulevards van het centrum. Verder is er alleen het geluid van de honderden families die de oude, majestueuze gebouwen bewonen. Achter de zwakverlichte ramen klinkt muziek, kindergehuil, af en toe een ruzie.

De gebouwen zijn tot op het bot toe vervallen. Maar in het halfduister van de straat - één op de vier lantaarns doet het, telt Massimo - gonst het leven. Vrouwen babbelend in losse hempjes of strakspannende stukjes nylon om hun borsten. Mannen met bloot bovenlijf rokend op de stoep.

Overal gesprekken; hier en daar een hoge lach. “Ze lachen verdomme nog steeds”, constateert Massimo.

We lopen verder langs flauwverlichte etalages waarin één stoffige fles rum en één autoband liggen opgebaard als trofeeën uit een andere tijd. Verderop zijn de winkels met 'genormeerde producten': drie blikjes poedermelk, één stuk zeep en twee blikken appelcompote. Op de planken van de koffie en de olie gaapt de leegte van een tandenloze mond. We gaan op zoek naar een café, een terras waar mensen 's avonds samenkomen. Maar zover als het oog reikt is de stad gehuld in de duisternis van een onbestemd soort spertijd. Dan zien we op een pleintje het blauw van een neonbuis flikkeren.

Een paar vettige tafeltjes onder de bomen en een schat van een ober met de gang van een slak. Elk half uur neemt hij een bestelling op. Na anderhalf uur komen ook onze biertjes. Al gelijk bij de eerste slok verslikt Massimo zich.

“Dit is een test”, zegt hij proestend. “Hoeveel gal moet iemand drinken voordat hij een Nieuwe Mens wordt.” Verbaasd kijkt hij naar de andere tafeltjes waar Cubanen rustig aan dezelfde flesjes drinken. Nogmaals probeert hij een slok van zijn Cuba-gebrouwen biertje. Nu weet hij het zeker.

Als Che Guevara nog had geleefd zou hij gezegd hebben: 'stop'. Zoals hij dat meer dan dertig jaar geleden ook gedaan heeft met de eerste en enige 'communistisch'

gebrouwen Coca Cola: “Nee, no, nada. Dit smaakt nergens naar!”

Logica, professor

“De grote vraag is wat je zoon en je dochter vinden. Zeggen zij ook: de 'revolutionaire moraal' verzacht de pijn van een knagende maag? Hoeveel zijn zij nog bereid te offeren voor het in stand houden van een revolutie die ze niet hebben meegemaakt? Dat is de vraag.” Wanhopig probeert Massimo tegen haar op te praten. Met handen en voeten en zelfgemaakt Spaans maakt hij zichzelf duidelijk. Maar Edina (52) is van roestvrij staal. Rechter, professor en actief partijlid. Terwijl Massimo over Cuba probeert te praten, hipt Edina onder hem uit met Amerika. Of hij wel weet hoe groot de illegale handel in menselijke organen daar is.

In Italië hadden ze Massimo gezegd dat hij Edina maar moest opzoeken, als hij een 'gewone Cubaan' wilde ontmoeten. Met een grote zak vol 'Westers' spul klopte hij die avond op haar deur. Opgetogen nam ze de spullen in ontvangst en installeerde het bezoek op de bank. De kleine woonkamer stond al snel in vuur en vlam.

Het gesprek gaat - hoe kan het anders - over de Cubaanse economie. Op de achtergrond murmelt Fidel Castro onder de mute-knop. Zijn zoveelste dreigement aan het adres van prostituees en zwartwerkers. Zijn zoveelste oproep tot 'strijd' en 'gevecht'

om de piepende en krakende economie weer op de rails te zetten.

“Luister nu even”, zegt Massimo terwijl hij Edina bij de hand grijpt, “logica, professor. Als het bezit van dollars de enige manier is om in je basisbehoeften te voorzien. En de enige manier om aan dollars te komen is zwartwerk, prostitutie of diefstal. Graaft Fidel dan niet het graf van zijn eigen revolutie?”

“Er zijn een heleboel mensen die zich wel goed gedragen”, werpt Edina koppig tegen. Met opgetrokken wenkbrauwen kijkt Massimo naar de overlevingszak vol tandpasta, shampoo en blikjes die hij voor haar uit Italië heeft meegebracht. Producten die op Cuba alleen tegen dollars te koop zijn. Zoals ook kleren en schoenen, sinds in 1993 het bezit van dollars werd gelegaliseerd, alleen in harde Yankee-munt gekocht kunnen worden.

Maar zoals elke Cubaan verdient Edina haar salaris in pesos.

Vierhonderd Cubaanse pesos, ongeveer vijfentwintig dollar per maand. Haar man, cineast van het ter ziele gegane Cubaanse filminstituut, verdient al jaren niets. “Vertel eens, Edina, hoe anders dan door zwartwerk en buitenlanders blijft je gezin in stand?”

Ze drinken cola en whisky en dragen dure zonnebrillen. Op een verdord grasveldje van 'yachtclub Hemmingway' vieren ze zondagmiddag. “Ik ben dokter”, zegt een jongeman terwijl hij de mond van een meisje over zijn dijen stuurt.

Hij bestelt nog een fles whisky.

Dertig dollar. Meer dan een maandsalaris. Hoe kan hij dat betalen? “Ik verkoop medicijnen uit het ziekenhuis en nog wat andere dingetjes”, zegt de man. Specifieker wil hij niet worden. Maar wat vindt Massimo van Cuba?

“Mooi”, zegt Massimo. “En het zou nog mooier zijn als mensen als jij de boel niet zouden bestelen.”

Schimpend klimt Massimo even later de auto weer in. “Ziedaar de nieuwe dollar-elite; het soort leeghoofden dat de boel hier straks overneemt.” Met een klap slaat hij het portier dicht. De chauffeur slaakt een gil. Zijn Chevrolet uit 1952! Een beetje voorzichtig, zeg. Met een blos van schaamte helpt Massimo hem het portier er weer in te haken. Een auto kost niet alleen veel, hij kost een heel leven, maakt de chauffeur hem duidelijk. De aanschaf is nog het minste. Maar het onderhoud, de belasting, de onbetaalbare benzine.

Om zijn kanariegele relikwie te bekostigen rijdt de chauffeur, na zijn werk als wiskundeleraar, toeristen rond. Maar om dat te mogen moet hij elke maand voor honderd dollar een vergunning van de overheid kopen. “Kijk, dát is nu zo kloterig. Een auto blijven beschouwen als een luxe in een tijd dat de rest van de wereld naar Mars gaat.” Massimo begint te praten en houdt niet meer op.

“Het onderdrukken van initiatief in naam van gelijkheid. Waanzin.” Hij wijst naar de zee. “Waarom vist hier niemand? Verboden.

In naam van het communisme is vissen verboden!''

De leraar parkeert zijn auto aan de kade van Santa Fé de Cuba, de rotsachtige kust vanwaar duizenden Cubanen in 1991 op gammele vlotten met de zegen van Castro naar Amerika vertrokken. Massimo wijst op de huisjes met wapperende was. “Kijk, die mensen wilden niet weg. Ondanks alles zijn ze gebleven. Maar geef ze dan verdomme iets zinnigs te lezen.”

Massimo houdt de velletjes omhoog van het partijblad Granma.

Pagina's vol goed nieuws over de 'buitengewone inspanning' waarmee de economie in deze 'speciale periode' draaiende blijft. Het buitenlandse nieuws bestaat uit een artikel over vijftienduizend Engelsen die hun steun betuigen aan de 'heroïsche strijd van de Cubanen' tegen de Amerikaanse boycot. Een stukje over de nieuwe ambassadeur in Polen. En ten slotte het bericht dat in Nederland jaarlijks tweeduizend vrouwen uit het voormalige Oostblok als seksslaven worden verhandeld.

Tien tafels

Grijnzend kijkt Massimo die avond om zich heen. Een kamer vol oudere Italiaanse mannen zit zwijgend tegenover hun prachtige, jonge Cubaanse 'vriendinnen'. “Cuba is weer net zo'n hoerentent als voor de revolutie”, constateert hij en werpt zich op het menu. Garnalen, kreeft en vis in alle soorten en maten. Verboden producten. In de huiskamer van Maria en haar man geuren ze vers op de gedekte tafels.

Maria en haar man hebben een Paradero, een restaurant in eigen huis. De slaapkamer dient als provisiekast en op het wandmeubel tussen de trouwfoto's staan flessen goede Chileense wijn. Om binnen te komen moet je langs een verdekt opgestelde wachten.

Zij geven een seintje als er onraad dreigt. Daarna volgen twee ijzeren deuren. De keuken is bijna zo groot als Maria's man zelf. Maar in zijn witte schort hakt, snijdt en roert hij als een Franse chef.

Hij laat ons het gat in de grond zien, waar onmiddellijk alle vissen in verdwijnen als er controle komt. Ook is er een systeem om één tafel weg te klappen en zes stoelen te laten verdwijnen. In hun huiskamer staan vier tafels, terwijl ze er bij wet maar drie mogen bedienen. “Onze droom is tien tafels”, vertelt Maria en lacht haar witte tanden bloot. “Maar tegen die tijd zijn we wel bejaard.”

Tussen de gangen vertelt ze over haar botsingen met het regime. Open, dicht, open en weer dicht. Daar komt het verhaal van haar Paradero op neer. Telkens is er weer een nieuwe maatregel, een nieuwe hindernis te nemen voor de 'kleinburgerlijke' neringdoenden die sinds 1995 bij wet zijn toegestaan. “We zijn een soort bonsaiboompjes”, zegt Maria. “Zodra we groeien worden we weer gesnoeid.”

De volgende avond krijgen we een lesje Cubaanse democratie in praktijk. Op een plein in een buitenwijk van Havana wordt een 'volksaudiëntie' gehouden. Hier presenteren kandidaten voor de komende verkiezingen zich aan de mensen in hun kiesdistrict. De voorzitter brengt een groet aan Castro en onderstreept hoe 'uniek' en 'democratisch' het Cubaanse politieke systeem is. Hij zet het 'doel' van de verkiezingen uiteen. “Een bewijs leveren van nationale eenheid” en “de steun van het volk aan het politieke systeem bevestigen.”

Wanneer de voorzitter en nog wat partijmannen zijn uitgepraat, mag nu ook het 'volk' aan het woord. Een vrouw staat op uit haar stoel en begint een lied te zingen. De tranen staan haar in de ogen als ze roept: “Deze bijeenkomst is geen democratie meer.

Dit is een fenomeen van sociale communicatie!!''

Hikkend van de lach tuimelt Massimo aan het eind van de bijeenkomst over straat. Die man met die snor. Die was werkelijk de beste! Hoe bedenk je het! Zijn openingszet: “We hebben de goedkoopste verkiezingen ter wereld, omdat we maar één partij hebben.” Dan dat serieuze lijstje met bedragen die president Clinton in zijn verkiezingscampagne gestopt heeft: 58 recepties in het Witte Huis; het diner in het oude huis van Lincoln. En dan zijn uitsmijter: “Clinton is met iets meer dan de helft van de stemmen verkozen. Maar minder dan de helft van de bevolking heeft gestemd.

Dus: Clinton regeert met minder dan een kwart van de stemmen.''

Subliem toch?

“Weet je”, zegt Massimo terwijl hij peinzend naar de straatveegmachine kijkt die met een snelheid van tachtig kilometer per uur voorbij komt geraasd. Een meisje van stadsreiniging leunt op haar bezem en babbelt met toeristen. Vriendelijke mannen en vrouwen lopen voorbij met oude radiotoestellen, fietsbanden of gewoon een tuitzakje nootjes.

“De vraag is misschien niet hoelang ze hun revolutie nog volhouden. De vraag is: hoe hebben deze mensen het voor elkaar gekregen om hier ooit een revolutie te begínnen?”

Baardmans

Een doorgezakt bed, een wankele stoel en aan het plafond een peertje. Veel meer is er niet in de kamer waar Raúl met zijn vrouw en twee kinderen woont. Samen met zijn broer, die in de kamer ernaast woont, probeert hij een oude Russische wasmachine aan de praat te krijgen. “Die boeren weten echt niet wat beschaving is”, scheldt hij de ontwerpers van het apparaat uit. Hij gooit een hand nutteloze schroeven op het bed, en geeft een trap tegen de machine. Opeens begint het ding te sputteren. “Ha”, roept Raúl.

“Dat is de enige taal die je verstaat hè?”

Tot nog toe, had Massimo die ochtend bij Edina gezegd, waren het toch allemaal karikaturen die hij had ontmoet - partijmensen, halve mafiosi, niet de zonne-communisten uit zijn dromen. Echte Cubanen wilde hij zien. Ménsen.

En zo kwamen we in de woning van Raúl terecht. In het donkere sousterrain van wat eens een voornaam herenhuis was. En het klikte tussen Massimo en Raúl.

De vishengels in de hoek van de kamer. Raúls gepingel om een paar dollar voor een fles rum. “Zo ken ik die Cubaanse boeven weer”, straalt Massimo.

Triomfantelijk stapt Raúl weer binnen met de drie flessen rum die hij met Massimo's dollars voor een 'afbraakprijs' op de zwarte markt heeft bemachtigd. Raúl drinkt op zijn bezoek en op barbu, baardmans, pseudoniem voor Fidel Castro. “Dat ie gauw mag creperen”, proosten Raúl en zijn vrienden vrolijk. Massimo trekt een wenkbrauw op. Zo cru had hij het nog niet gehoord.

In een hoek begint Massimo een gesprek met Raúl.

“Weet je wie hier de echte communisten zijn”, roept Raúl en hij wijst naar de verzamelde buren in zijn kamer. “Dat zijn wij!” Samen delen ze het weinige dat er is. “En ik zweer je, dat is het delen van niets, is niets.”

Net als alle anderen in huis is ook hij werkloos. Officieel bestaan er geen werklozen, maar Raúl schat dat de helft van Havana geen werk meer heeft. Zelf werkte hij voor het ministerie van Transport. Of nu ja: werken, zijn taak was het herstellen van Russische radio's, type visbokaal met knoppen aan de onderkant. Onderdelen zijn al jaren niet meer te krijgen. Daarom heeft het ministerie zijn dienst vorig jaar maar opgedoekt. Een officiële baan verschafte hem de papieren om niet als 'sociaal onnuttig element'

te worden aangehouden. “Nu ben ik zo nutteloos als de pest”, zegt Raúl.

Vorige week werd hij weer eens opgepakt. Hij probeerde twee flesjes eigengemaakte limonade aan toeristen te verkopen. Hij kreeg een boete van ongeveer honderd dollar. Waar betaalt hij die nu weer van?

Langzaam laat Massimo het gesprek wegzakken. Over de politiek wil hij niet meer praten. Het gaat nu over de vishaakjes die hij Raúl vanuit Italië zal sturen.

Die avond wil Massimo niets meer. Niet eten, niet praten, alleen maar slapen. Van Cuba zal hij niet meer dromen. “Ze gaan dus echt naar de kloten”, zegt hij de volgende morgen bij het ontbijt.