Bomen als fakkels; Natuur is grote slachtoffer bij bosbranden in Indonesie

In het brandende Indonesië loopt het gevaar voor de verschillende bedreigde diersoorten sterk uiteen. Maar de algehele natuurschade is groot en zal na regenval door erosie nog toenemen.

BIJ ELKAAR IS inmiddels 800.000 hectare van de Indonesische eilanden ten prooi gevallen aan de vlammen.

Het ergst getroffen zijn Sumatra en Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo. Maar ook op Irian Jaya, Java, Sulawesi en de kleinere eilanden woeden branden. Uit gegevens van het Wereld Natuur Fonds blijkt dat minstens veertien beschermde natuurgebieden zijn getroffen.

Langdurige droogte is in Indonesië niet onnatuurlijk of rampzalig. De eerste melding van ernstige droogte op Borneo dateert van de vorige eeuw, toen van een broeikaseffect nog geen sprake was. Het is de combinatie van ernstige, potentieel destructieve droogte, de aanleg van plantages en 'slash-and-burn' landbouw die rampzalig uitpakt. Indonesië kampt met een explosieve bevolkingsgroei, rond natuurgebieden nog eens versterkt door transmigratie-schema's. Daarbij stichten mensen die van overbevolkte eilanden afkomstig zijn nieuwe leefgemeenschappen in afgelegen ongerepte delen van Sumatra en Kalimantan.

NIEUWKOMERSZodra kapmaatschappijen bossen ontsluiten volgen de landbouwers, voor een deel nieuwkomers. Ook de plaatselijke bevolking creëert en onderhoudt al brandend steeds meer landbouwvelden. Satellietbeelden bevestigen dat commerciële houtbedrijven en plantage-eigenaren direct verantwoordelijk zijn voor een belangrijk deel van de branden. Na kaalkap is het lucratief plantages te creëren voor de productie van palmolie of houtpulp. De bedrijven gebruiken de goedkoopste methode om de grond 'schoon' te krijgen: platbranden.

Kleine boer, kapitaalkrachtige kapmaatschappij, plantage-eigenaar: één hoofdschuldige is er niet.

Bij ernstige droogte verliezen zelfs 'altijd-groene' bomen hun bladeren.

Samen met het hout dat na boskap is achtergebleven betekent dat een flinke voorraad brandstof. En anders dan intact regenwoud heeft gras en secundaire groei geen weerstand tegen brand. Wanneer voor het schonen van een stuk land vuur wordt gemaakt, is dat nauwelijks onder controle te houden. Die omstandigheden doen zich op Borneo grootschalig voor: gedegenereerd bosgebied, met hooguit wat lage secundaire begroeiing, is daar ruim voorhanden. De afgelopen twintig jaar verdween op Borneo door kap en landbouw 70.000 vierkante kilometer regenwoud. Ook in doorgaans goed vuurbestendig, intact regenwoud kunnen breuken geslagen worden, met bomen als zestig meter hoge fakkels.

De ernstigste schade ondervinden de nu grotendeels droogstaande veenmoeras-bossen. Hier gaat het vuur smeulend ondergronds. Zo vernietigt het de wortels van bomen, het reduceert de hoeveelheid opneembare voedingsstoffen en het vaagt de zaadbanken in de bodem weg. Ooggetuigen maken bij dit type brand melding van bovengronds onaangetaste woudreuzen die na een windvlaagje met zwart uitgeslagen wortels ter aarde storten. Het bestrijden van zulke doorsmeulende branden is lastig en kan nog maanden vergen. Specialisten schatten dat de veenmoeras-bossen zich pas na honderden jaren herstellen - of nooit.

Voor andere typen regenwoud zijn de herstelmogelijkheden beter doordat de oudere en grootste bomen na de brand goede overlevingskansen hebben. Door kap of brand aangetast regenwoud heeft een veel sterker regeneratievermogen dan lang werd gedacht. Eens weg is niet voor altijd weg, maar herstel duurt lang en is een kwetsbaar proces.

De effecten op het dierenleven lopen sterk uiteen. Onder trage dieren als schildpadden is de sterfte hoog. Hetzelfde geldt voor insecten, die gevoelig zijn voor veranderingen in temperatuur en vochtigheid. Dit speelt niet alleen in de gebieden waar branden woekeren, ook de rookontwikkeling eist zijn tol. De nevel hangt als een permanente bewolking over een enorm gebied. In delen van Kalimantan is de gemiddelde temperatuur met 6,5 ationaleC gedaald terwijl de daglengte met twintig procent afnam. Het activiteitspatroon van dieren verandert hierdoor flink. Vogels lijken bij brand het minst slecht af te zijn. Niettemin zijn er lokale waarnemingen van 'honderden dode vogels', mogelijk uitgehongerde insecteneters.

Naast de schemer zorgt ook afzetting van stof- en rookdeeltjes op bladeren ervoor dat bomen en planten hun gebruikelijke productiviteit bij lange na niet halen. Aanslagen op het bestand van sommige diersoorten zullen op de langere termijn andere, opeenstapelende effecten hebben.

Wanneer er minder insecten zijn om stuifmeel te verspreiden zal dat een verlaagde opbrengst aan vruchten tot gevolg hebben, zo voorspellen natuurbeschermers. Ook is er het 'compressie-effect': dieren die aan vuur weten te ontsnappen zorgen in resterende bosfragmenten voor hoge concentraties die de ecologische balans uit het lood doet slaan.

Als de verlossende regen valt wordt de natuurschade nog groter door erosie. Waar de zwartgeblakerde grond grootschalig wegspoelt naar rivieren, krijgt het ecosysteem flinke klappen.

Alleen al de verwachte wijziging van de zuurgraad van het water leidt tot vissterfte: opnieuw een ingrijpende reductie van het voedselaanbod voor dier en mens. Ook verder stroomafwaarts zal de visstand teruglopen. En om het verhaal af te maken: vertroebeling van het water tot in zee kan een ernstige bedreiging betekenen voor koraalriffen.

ORANG-OETANSTerug naar de rampgebieden. Hoe staan de bedreigde zoogdiersoorten ervoor? Voor orang-oetans zijn de vooruitzichten slecht, zegt de Nederlands expert Herman Rijksen. Als ze al aan de branden weten te ontsnappen moeten ze door mensen bevolkt gebied passeren. In Zuid-Borneo leven orang-oetans verspreid over regenwoud-restanten. Als ze geluk hebben vinden ze een naburig stuk bos, waar ze moeten wedijveren met soortgenoten die hun eigen territoria hebben. Ook speelt een rol dat orang-oetans nauwelijks kunnen zwemmen en zich dus niet door een rivier over te steken in veiligheid kunnen brengen.

In West- en Centraal-Kalimantan, waar de ergste branden woeden, zijn onder de orang-oetans tot nu toe veertig slachtoffers geteld, in Oost-Kalimantan is dat aantal negentien. Het Nationaal Park Tanjung Puting, het grootste beschermde gebied in Kalimantan met een flinke orang-oetan bezetting, staat grotendeels in brand.

Duizend dieren lopen rechtstreeks gevaar. Voor een sterk in aantal afnemende en verbrokkelde populatie zijn dat stevige cijfers: het totale bestand aan orang-oetans op Borneo ligt tussen de tienduizend en vijftienduizend.

Bovendien worden vluchtende orang-oetans (en ook andere dieren) opgewacht door stropers en dierenhandelaren.

Na het uitsterven van de Balinese en Javaanse tijger is alle hoop gevestigd op overleving van de Sumatraanse tijger. Daarvan lopen er nog, optimistisch geschat, vierhonderd rond. De ervaring met voorgaande bosbranden leert dat tijgers behoorlijk vindingrijk zijn en zo nodig uit brandend gebied wegtrekken. Wel staan trekkende tijgers sterker bloot aan de gevaren van stroperij. Gelukkig worden in nood geraakte tijgers soms ook coulant behandeld: in een deel van Sumatra breken brandbestrijders hun bluswerk elke middag af om vier plaatselijke tijgers gelegenheid te geven aan de rivier te komen drinken.

Van de Sumatraanse neushoorn worden alleen noodlijdende populaties van slechts enkele dieren bedreigd. Voor de Aziatische olifant liggen de (sterk gekrompen) leefgebieden op Sumatra en Borneo buiten de grootste brandhaarden. Wel geldt, aldus Elizabeth Kempf van het Wereld Natuur Fonds, dat conflicten tussen mens en olifant een probleem vormen: in Indonesië zijn olifanten vergiftigd. Het kappen van bossen voor nederzettingen en landbouw ontwricht traditionele trekroutes van de dieren en leidt tot gewelddadige botsingen tussen hongerige olifanten en dorpelingen. Nabije branden maken de situatie er niet beter op.

Samengevat is de aanslag op het dierenleven grotendeels nog in nevelen gehuld. De voorlopige balans kan worden opgemaakt wanneer de regen valt. Maar die is nog niet voorspeld.

Met dank aan Arnold van Krefeld, WNF.