Beoordeling van Hoger Onderwijs is eenzijdig

Het ontbreken van algemeen aanvaarde criteria bij de visitatiecommissies in het hoger onderwijs heeft er toe geleid dat de ene opleiding kan worden geprezen voor iets waarvoor een andere opleiding kritiek krijgt. Ouders en studenten hebben niets aan de Keuzegids Hoger Onderwijs.

Patricia Huisman pleit voor een beter systeem om de universiteiten en HBO's op kwaliteit te beoordelen.

Er wordt vooral gekeken naar efficiency en 'studentgerichtheid' en naar enkele randvoorwaarden De nieuwe Keuzegids Hoger Onderwijs is uit. Universiteiten en HBO's zijn blij verrast of onaangenaam getroffen door de rapportcijfers die ze kregen. De gids suggereert dat we weten hoe het ervoor staat met de kwaliteit van ons onderwijs. Dat kan minister Ritzen van Onderwijs van pas komen bij zijn plannen voor een nationaal ranking-systeem van opleidingen en een harde aanpak van 'slecht functionerende'

opleidingen.

Het zijn doortastende voornemens, waar niemand tegen kan zijn. Ten minste, als de kwaliteitsoordelen betrouwbaar zijn. Dat is helaas niet het geval. Het huidige systeem van visiteren vertoont ernstige gebreken. En ook de Inspectie van het hoger onderwijs komt in haar 'meta-evaluaties' niet tot gefundeerde kwaliteitsoordelen.

Dit geeft een wankele basis aan het 'ranken' of sluiten van opleidingen.

Om erachter te komen wat een goede opleiding is, moeten we eerst weten welke elementen er beoordeeld zijn. Beoordelaars kunnen kijken naar de onderwijsdoelen (wat streeft de opleiding na?), de inhoud (welke kennis en vaardigheden draagt men over?), de onderwijskundige aanpak (hoe wordt de student benaderd?), de opzet (welke onderwijsvormen zijn er?) en de organisatie (hoe doelmatig/doeltreffend is deze?). Maar ook kan worden gelet op het resultaat. Wat is het behaalde niveau of hoeveel afgestudeerden zijn er?

Willen we alleen een organisatie-keurmerk, dan kan worden volstaan met 'accreditering'. Men geeft certificaten af die in de eerste plaats betrekking hebben op de school als organisatie. Voor een echt onderwijskeurmerk zijn echter visitaties nodig. Er moet dan een onderzoek worden ingesteld naar de verschillende hiervoor genoemde elementen en speciaal aan het onderwijs. De organisatie is in dat geval slechts een randvoorwaarde. Wie, zoals de minster wil, binnen de opleidingen een rangorde wil aanbrengen of 'slechte' opleidingen wil identificeren, heeft weinig aan accreditering.

Op dit moment kunnen dit soort visitaties hun opdracht niet waarmaken. De commissies die ermee belast zijn, schenken over het algemeen ruime aandacht aan onderwijsdoelen en eindtermen, de onderwijskundige opzet, de organisatie en de onderwijsresultaten.

Maar over de kwaliteit van de aanpak en de inhoud van het onderwijs, af te meten aan het les- en studiemateriaal, literatuurlijsten, tentamen- en examenopgaven, stageverslagen etc., laten ze zich zelden gefundeerd uit.

Commissies in het HBO melden meestal of het studiemateriaal verouderd of actueel is, of het er verzorgd uitziet, een studiehandleiding biedt en of het naast readers ook boeken omvat. En in het WO ligt dat nauwelijks anders. De meeste commissies volstaan met een beschrijving van het programma, of geven alleen een oordeel over de evenwichtigheid. Had er niet wat meer dit of dat in gemoeten? Drukt dit niet te zwaar op het programma?

Over het onderwijs zelf komen we zo nauwelijks iets te weten.

Heeft het inhoudelijk een behoorlijk niveau en wijdt het de student voldoende in in het beoogde vakgebied. En als dat zo is, bestaat het onderwijs dan uit inzichten, perspectieven en aanwijzingen die wetenschappelijk zijn onderbouwd?

Wordt er aandacht besteed aan de bestaande kritiek? Ook blijkt uit de visitaties niet of het denkmethodologisch voldoende is. Leren de studenten er méér van dan het correct uitvoeren van methoden en technieken? En leren ze omgaan met de vooringenomenheden die henzelf parten kunnen spelen?

Niemand wil dat kennelijk ook weten. De politiek wil op dit moment om haar moverende redenen vooral inzicht krijgen in de 'gemakkelijk' te bepalen kenmerken van het onderwijs, zoals de 'studeerbaarheid' van opleidingen en hun gericht zijn op de arbeidsmarkt. De belangen-verenigingen in het hoger onderwijs (VSNU en HBO-raad) die de visitaties organiseren, doen er alles aan om te voldoen aan de richtlijnen die hierover bestaan en tonen geen behoefte aan een dieper gaand kijkje in de keuken. Dat blijkt wel uit het 'beoordelingsraamwerk' dat de HBO-raad heeft ontwikkeld om de visitaties te sturen. Driekwart van de vragen en ijkpunten daarin gaat over efficiency en studentgerichtheid, en over enkele randvoorwaarden voor kwaliteit, zoals bereidheid tot innovaties, overleg- en besluitvormingsstructuur. De rest behandelt de visie, de profielen en eindtermen en de vormgeving van het curriculum. Gerichte vragen over de inhoud en onderwijskundige aanpak ontbreken.

Dat is niet toevallig, het is doelbewust beleid. Het kwaliteitsteam van de HBO-raad schrijft in HBO in kort bestek dat “alle commissies kwaliteit definiëren vanuit het arbeidsmarkt - en het bedrijfseconomisch perspectief.” Omdat studenten voor de opleidingen een belangrijke 'klantenkring' vormen, let elke commissie er bovendien op wat deze groep over kwaliteit te zeggen heeft: het consumentenperspectief. In geen van de drie perspectieven die men nastreeft staat het primaire onderwijsproces voorop. De inhoud en aanpak van het onderwijs worden op hun eigen merites beoordeeld.

Wat kan hieraan gedaan worden? De Inspectie van het hoger onderwijs zou kunnen ingrijpen, omdat zij moet weten hoe het met de kwaliteit staat. De Inspectie heeft de kwaliteitsbewaking indertijd overgedragen, maar op de achtergrond probeert zij de touwtjes nog in handen te houden. Zij heeft inmiddels een lijst gemaakt van aspecten waarop de visisatiecommissies moeten letten.

De Inspectie stelt ook eisen aan de werkwijze van de visitatiecommissies. De rapporten worden geëvalueerd en op grond daarvan wordt de minister geadviseerd, die kan besluiten in te grijpen. Tot nu toe maakt de Inspectie echter geen kritische analyse van de gebreken in het systeem. In plaats daarvan richt ze zich op de 'methodische'

werkwijze van commissies.

De Inspectie dwingt de HBO-raad en de door haar ingestelde visitatie-commissies op deze manier weliswaar steeds meer in een methodisch keurslijf. Maar ze gooit daarmee wel haar eigen glazen in.

Want de kennis waar de Inspectie op hoopt, raakt alleen maar verder uit het zicht. De gebruikte methode nodigt uit tot het ophouden van de schijn, maar van een gefundeerde meting en een werkelijke 'meting' is geen sprake. De visitatie-commissies moeten het voor een belangrijk deel nog steeds doen met gesprekken en geschreven notities, en met de meningen van de betrokkenen zelf.

Een ander gebrek is dat de gebruikte methode voorbij gaat aan het probleem dat er op dit moment geen verantwoorde beoordelingscriteria zijn. Het ontwikkelen van criteria is een verantwoordelijkheid van het onderwijsveld, dat hierover algemeen gedeelde uitspraken moet doen. Het huidige visitatiesysteem laat echter doelbewust te veel ruimte aan de commissies om hun eigen maatstaven te bepalen. En aangezien menige commissie ook nog eens geen inzage geeft in deze criteria, weten we niet hoe geschikt ze zijn om de kwaliteit van het onderwijs te beoordelen. Een commissie met een andere samenstelling zou misschien wel een ander oordeel hebben gegeven. Dat betekent dat de ene opleiding nu kan worden geprezen voor iets waarover de andere opleiding een negatief oordeel krijgt.

De 'meta-evaluaties' van de Inspectie lijden aan dit zelfde euvel.

Daarin wordt ongelijk en op het oog willekeurig geoordeeld. Zo lijken HBO-rapporten aan een strenger oordeel onderworpen dan WO-rapporten. Bij gelijke tekortkomingen keurt De Inspectie het WO-rapport wel goed en het HBO-rapport niet. Wankele rapporten oogsten ondanks kritiek toch nog waardering, terwijl meer adequate rapporten worden gediskwalificeerd. Tot nu toe heeft de Inspectie nog geen enkel rapport afgewezen omdat het de onderwijsinhoud onbesproken laat.

Alle visitaties en meta-evaluaties ten spijt, is over de kwaliteit van het hoger onderwijs geen helder licht gaan schijnen. Ouders en studenten die op zoek zijn naar een opleiding die in dat opzicht kwaliteit heeft, zijn niet geholpen met de Keuzegids Hoger Onderwijs. En ook de 'ranking' van opleidingen die minister Ritzen zich voorstelt zal niet kunnen berusten op onderwijs-inhoudelijke kwaliteitsverschillen.

Echt dubieus wordt het natuurlijk als een opleiding op grond van het huidige beoordelingssysteem wordt gesloten wegens 'slecht functioneren'. Want wat betekent dat? Slecht functionerend in 'consumentistisch' opzicht? In bedrijfseconomisch opzicht? In arbeidsmarkt opzicht?

Eén ding is zeker: opleidingen, die onderwijs-inhoudelijk onder de maat blijven, maar wel veel studenten trekken en het goed doen op 'studeerbaarheid', 'doelmatigheid', 'rendement' en 'organisatievermogen', zullen niet snel met een sluiting bedreigd worden.