Beeldende kunst

In de reactie van Geert Dales (27 september) op het boek van Riki Simons 'De gijzeling van de beeldende kunst' probeert hij de verwijten aan de overheid uit dit boek te weerleggen. De complottheorie kunnen Dales en de overheid mijns inziens rustig naast zich neer leggen. Dat de overheid welbewust één richting in de beeldende kunst stimuleert lijkt mij niet houdbaar en is ook in de recensie van Warna Oosterbaan (12 september) afdoende weerlegd.

Toch wordt hier een probleem aan de orde gesteld waar de overheid zich wel degelijk voor moet interesseren. De situatie is dat één stroming domineert, de meeste opdrachten in de wacht sleept, het grootste deel van de subsidiepot ontvangt en het meest wordt getoond in musea en andere publieke podia.

Dit is niet zozeer een complot dan wel een natuurlijk proces.

Niemand zweert bewust samen maar het gebeurt wel, en men, waaronder de overheid, laat het gebeuren... Het proces spiraalt door omdat steeds meer voorstanders van deze richting op de sleutelposities terecht komen en vooral doordat talentvolle jonge kunstenaars voor deze richting kiezen.

Dat laatste is niet zo verwonderlijk omdat in deze richting de beste kansen liggen voor waardering, een podium en... een redelijk inkomen.

Ook de overheid laat dus deze ontwikkeling voortgaan onder andere door (succesvolle) kunstenaars uit deze stroming naar voren te schuiven en opdrachten te geven. Van een opgedrongen beleid is dan geen sprake maar de overheid moet de gang van zaken waar zij verantwoordelijk voor is wel kunnen verdedigen. Er zijn ook integere en talentvolle kunstenaars die een andere richting aanhangen en die letterlijk buiten de prijzen vallen. Waarom? De belastingbetaler wil graag weten wat het beleid van de overheid in deze is. Temeer omdat een groot deel van deze belastingbetalers eigenlijk weinig waar dering kan opbrengen voor de kunstproducten waarmee ze regelmatig geconfronteerd worden.