Zijlwachter op losse schroeven

Gerrit Krol: De kleur van Groningen en andere verhalen. Querido, 48 blz. ƒ 35,-

Een jaar of tien geleden heeft Gerrit Krol eens geprobeerd uit te leggen waarom het hem niet meer lukte om gedichten te schrijven. Geprobeerd, want hij snapte zelf ook niet helemaal waarom de poëzie kennelijk ten koste moest gaan van het schrijven van essays. Met weemoed keek hij terug op de periode, van voor 1981, toen hij er wel in slaagde twee verschillende genres, proza en poëzie, naast elkaar te beoefenen.

De kwestie achtervolgt hem nog steeds, want alweer is het hem niet gelukt zijn dichterlijke impasse te doorbreken. Wat door zijn uitgeverij aangekondigd werd als poëzie, De kleur van Groningen en andere gedichten, blijkt nu een verhalenbundel te zijn: De kleur van Groningen en andere verhalen dus. De inhoud van de bundel is ongewijzigd gebleven, alleen de flaptekst is aangepast aan de gewijzigde titel. Gedichten kun je ze inderdaad niet noemen, de door veel witregels gescheiden lapjes tekst waaruit De kleur van Groningen bestaat. Mooie, beeldende, maar prozaïsche zinnen, geen versregels. Verhalen zijn het eigenlijk ook niet. Daarvoor zijn de tekstlapjes niet alleen te fragmentarisch, maar ook te ongelijk van inhoud, strekking en toon. Wat men in deze bundel aantreft, in negen 'verhalen', getitelde afdelingen zou ik eerder zeggen, zijn aanzetten tot verhalen, passages uit mógelijke verhalen. Krol schenkt de lezer hier een vracht aan behartenswaardige notities, observaties, beweringen, citaten, suggesties en kanttekeningen, waaruit hij zijn eigen verhaal zou kunnen samenstellen.

In een van de essays uit Wat mooi is is moeilijk (1991) verklaarde hij dat in zijn ogen het woordenboek 'in principe' het mooiste boek is, omdat je er een willekeurige bladzij in op kunt slaan zonder eerst alle voorafgaande bladzijden te hoeven lezen. De kleur van Groningen, dat zijn eigen ideaal zal benaderen, bestaat niet uit losse woorden, maar wel uit losse zinnen, die gelukkig wel iets meer met elkaar te maken hebben dan de woorden in een woordenboek. Het intrigerende van deze verhalen in wording is dat ze, hoe onsamenvatbaar ook in hun geheel, per zin of alinea een heldere voorstelling geven van iets uit de werkelijkheid: een bomenrij, een vernissage, een reisje naar Ameland. De crux zit 'm bij Krol in het vervolg. Na een witregel wordt vaak alles anders. Waar in de ene alinea nog een boom staat, blijkt die in de volgende radicaal te zijn verdwenen en verruild voor een gat in de grond. Neem bijvoorbeeld de volgende passage uit de afdeling 'Zijlvest':

Geen boom, maar een kuil.

Geen kuil, maar een wijde waterplas, geschikt voor toerisme.

Geen toerisme, doch slechts een eenzame hengelaar.

Vijf van zulke hengelaars en de nieuwe waterplas is al uit de kosten.'

In deze passage worden nogal uiteenlopende visies gegeven op hetzelfde landschap. Je zou er een dialoog in kunnen zien tussen een ietwat bedaagde waarnemer, die niet meer wil zien dan er is: een kuil, één hengelaar en een optimistische projectontwikkelaar voor wiens geestesoog een winstgevende recreatieplas opdoemt.

Op een terloopse manier laat Krol zien hoe verschillend er in het algemeen tegen de wereld wordt aangekeken. Een wereld die bij hem grofweg onder te verdelen valt in categorieën als mens en techniek, kunst en werkelijkheid, natuur en cultuur. In al die categorieën wordt steeds de vraag omspeeld wie of wat er de doorslag geeft: de mens of zijn auto, het kunstwerk of de werkelijkheid die eraan ten grondslag ligt, natuurschoon of economische belangen. Tot eenduidige uitspraken komt het nergens. Krol laat verschillende geluiden horen. Brave, weemoedige, opruiende, wervende, ambtelijke, vertrouwelijke en nuchtere stemmen wisselen elkaar af. De nuchtere, Groningse stem overheerst en deelt zich mee in een bondige, uiterst laconieke stijl. Maar de kracht van de bundel schuilt vooral in de volgorde, de opeenvolging van de zinnen, luchtig en beklemmend tegelijk, waardoor alles in het universum van Krol steeds weer op losse schroeven komt te staan. Een universum waarin een vrouw op de loop gaat voor haar geschilderde portret, waarin een zijlwachter, zoals het quasi-geruststellend heet, niet alleen de waterstand aan land bewaakt, maar 'in geval van nood' ook wel even de stand van de zee zal regelen en waarin bomen geen bomen zijn, maar aanplant, 'geleverd door kwekerij Doornbosch te Nieuw-Scheemda.'