Waar knechten de baas worden gaat het nooit goed; Herinneringen aan Dési von Saher, de weduwe van Goudstikker

De Amerikaanse erven van Dési von Saher, weduwe van de Amsterdamse kunsthandelaar Goudstikker, maakten onlangs bekend dat ze overwegen een claim in te dienen om diens na de oorlog aan de Nederlandse staat vervallen kunstbezit terug te krijgen. Dési von Saher heeft vergeefs geprobeerd de verzameling terug te geven maar gaf de moed op. Haar vriendin Rosemarie Silbermann: “In het Haags Gemeentemuseum wees ze op een schilderij. Ze zei, 'dat is niet van jullie' ”.

Jarenlang, in de jaren tachtig, kreeg Rosemarie Silbermann zangles van Dési von Saher, de weduwe van de in 1940 omgekomen Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Na een naoorlogs verblijf in Amerika was Dési von Saher definitief teruggekeerd naar Nederland. De tweemuzikale vrouwen waren bevriend, bezochten samen musea en modeshows; de gracieuze sopraan, in 1912 als Désirée von Halban geboren in Wenen, was dol op kunst en mooie kleren. Soms, zoals die keer in het Haags Gemeentemuseum toen zij een zelfportret van Charley Toorop zag, luchtte Dési tegenover haar vriendin haar hart over de onrechtvaardige wijze waarop de Nederlandse overheid met de Goudstikker-nalatenschap is omgesprongen. Zij wees op het schilderij en zei 'Dat is niet van jullie'. Mevrouw Silbermann: “Dési had een prachtig karakter. Zij was nooit boos, wel verdrietig en teleurgesteld. Ze zei eens: 'Ik had de collectie willen schenken, maar zij hebben hem genomen. Het resultaat is hetzelfde' ”

Met die 'zij' bedoelde ze de Nederlandse Staat die zich de collectie-Goudstikker toeëigende nadat deze in 1945 voor een klein deel - 400 van de in totaal 1200 verdwenen kunstwerken - uit Duitsland was teruggekomen. De vierhonderd schilderijen werden niet aan de erven Goudstikker teruggegeven omdat de overheid meende dat de collectie in de oorlog vrijwillig aan de Duitsers was verkocht door Alois Miedl. Deze sinds 1932 in Amsterdam werkzame Duitse zakenman, getrouwd met een joodse vrouw, maar ook met hartelijke relaties in de hoogste nazikringen, had de kunsthandel Goudstikker in het eerste oorlogsjaar overgenomen. De gerecupereerde kunstwerken werden gedeeltelijk geveild en voor een ander deel over de Nederlandse musea verspreid - het Bonnefantenmuseum in Maastricht en het Rijksmuseum in Amsterdam kregen de meeste en mooiste stukken - en wat de musea niet konden gebruiken werd opgehangen in ministeries, ambassades en andere overheidsgebouwen.

In het archief van de in 1995 overleden Dési von Saher zijn geen sporen te vinden van haar persoonlijke opvattingen over de gang van zaken rond de in 1940 aan de Duitsers verkwanselde kunstverzameling van haar echtgenoot. De nog onbeduimelde, zwarte ordners in het Amsterdams Gemeente-archief bevatten vooral papieren relikwieën die aan haar loopbaan als zangeres herinneren. Uit talloze programma-aankondigingen en recensies blijkt hoe uiteenlopend die zangcarriëre is verlopen. Zij gaf een recital in de Carnegiehall in New York, maar zong ook op een avond in gebouw 'Irene' in Overveen - liederen van Mozart, Hugo Wolf, Mahler, Schubert - met Felix de Nobel aan de piano. De vele foto's laten een aristocratische vrouw zien in stijlvolle avondjurken, zichtbaar gewend om te poseren met stralende, omhooggeslagen blik en een glimlachende, half geopende witte-tanden-mond. Al in haar jeugd vertoonde de dochter van een door keizer Franz-Joseph in de adelstand verheven gynaecoloog, professor Josef von Halban, en van de wereldberoemde operazangeres Selma Kurz, de allures van een ster.

Rosemarie Silbermann: “In Wenen woonde de familie in een geweldig huis dat voor de Hofsänger was bestemd. Haar moeder was een vriendin van Mahler voordat Alma hem inpalmde. Dat was de sprookjesachtige wereld waar zij vandaan kwam. Dési's moeder heeft onder Richard Strauss de première van Salomé gezongen en zijzelf heeft Mahler's vierde symfonie op de plaat gezet, gedirigeerd door Bruno Walter. Zij had een goede smaak, het tegendeel van prullerig of romantisch wat je van een Weense zou verwachten. Haar voorkeur ging uit naar moderne, strakke lijnen, ook voor haar sieraden. Zij hield van de beelden van André Volten en Carel Visser en zij was een fan van Frans Molenaar.”

In een interieur dat getuigt van dezelfde liefde voor moderne, strakke lijnen als van haar vriendin, vertelt Rosemarie Silbermann hoe het was om van Dési von Saher zangles te krijgen.

“Via een gemeenschappelijk vriendin was ik bij haar terechtgekomen toen ik na een lang onderbroken zangcarrière weer met zingen wilde beginnen. Ik was haar enige leerling en hoefde voor de lessen niet te betalen. Tegen mij zei ze altijd: maar als jíj les geeft moet je geld vragen hoor. Zij deed het buitengewoon aardig, maar kon ook driftig worden. Beviel haar iets niet, dan klapte zij weleens de klep van de piano dicht en zei kortaf 'ga maar weg, studeren'. Als je dan terugkwam en het beter ging, was zij allerbeminnelijkst, wiegde mee met haar hoofd op de golven van de melodie en zei dat je haar gelukkig maakte. Ik moest sterk aan haar denken toen ik op de televisie een masterclass van Elizabeth Schwarzkopf zag. Schwarzkopf kafferde een leerling uit: 'zing je over de liefde? Ik voel niets, het lijkt wel of het over de keuken gaat. Ga nog maar eens oefenen.' Dési deed het precies zo, zij hebben elkaar ook goed gekend.”

Archief

In het persoonlijk archief van Dési von Saher getuigen hartelijke brieven van onder anderen Leonard Bernstein en Bruno Walter van haar banden met de grootste dirigenten van deze eeuw. En dat zij óók in Nederland thuis was blijkt onder meer uit een aan haar gerichte kerstkaart en een programmaboekje getekend door Jo Spier. Het laatste betreft een liefdadigheidsconcert waarvoor de jonge Weense zangeres op 17 juni 1937 was uitgenodigd door de Amsterdamse kunsthandelaar Goudstikker op kasteel Nijenrode dat zijn eigendom was. In de luisterrijke ambiance aan de Vecht zong zij met het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg. Eregast: minister-president Colijn.

In een interview met Ageeth Scherphuis in 1990 in Vrij Nederland, vertelde Dési von Saher: “Kasteel Nijenrode was omgetoverd tot Wenen aan de Vecht. Ik wist niet wat ik zag. Er stond een enorme tent in de tuin die zo was neergezet dat de bloeiende rododendrons het decor vormden voor het Concertgebouworkest. De rood met gouden stoeltjes uit het Concertgebouw waren voor deze gelegenheid naar Nijenrode verhuisd. Daarboven hingen de kronen met brandende kaarsen uit het kasteel en op de grond lagen de mooiste perzen.” Het concert illustreert de grootse stijl die de joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker voerde, maar pompeus was hij niet - hij vond het heerlijk om op zijn eigen feesten achter de bar te staan met een sigaretje bungelend in een mondhoek.

In 1927 had Goudstikker een monumentaal Amsterdams stadspalazzo in de 'gouden bocht' van de Herengracht gekocht, nummer 458. Het statige huis fungeerde als hoofdkwartier van zijn kunstbedrijf. De grote zaal, met plafondschilderingen van De Lairesse, was bestemd voor de belangrijkste kunstenaars van de Gouden Eeuw, Rembrandt, Frans Hals, Ruysdael, Van Goyen en Terborgh. In de Empire salon hingen Franse meesters uit de achttiende eeuw. De kamer met Vlaamse primitieven maakte met antieke koorbanken, lezenaars en oude schrifturen een kloosterachtige indruk.

Goudstikker breidde zijn bezit aan onroerend goed in 1930 uit met het landhuis Oostermeer in Ouderkerk aan de Amstel. Zeven dagen na deze aankoop volgde kasteel Nijenrode. De kunsthandelaar had een hekel aan hypotheken en het was tekenend voor zijn rijkdom dat hij voor de aanschaf van de drie gebouwen geen financieringsregeling nodig had. Het weelderige Oostermeer gebruikte hij om in te wonen en van Nijenrode maakte hij een oord voor kunst en muziek, een ideale plek voor partijen en concerten. Het kasteel, met volwassen restaurant, was opengesteld voor het publiek om 'voor de kunst van het verleden meer algemene belangstelling te wekken'.

De bijzondere architectuur van de drie historische gebouwen speelden een belangrijke rol als achtergrond van Goudstikker's kunstbedrijf. Het Amsterdamse patriciërshuis uit de zeventiende eeuw, het buiten in Ouderkerk uit het begin van de achttiende eeuw, en het twaalfde-eeuwse kasteel waren niet ordeloos gevuld met de honderden kunstwerken van zijn handelscollectie. Goudstikker was een ervaren tentoonstellingsmaker en bepaalde zorgvuldig welke kunstwerken bij welke architectuur hoorden. Ook zijn catalogi waren altijd voorbeeldig verzorgd en vormgegeven. En bijna geraffineerd was zijn vermogen om zijn klanten - particulieren, museumdirecteuren en verzamelaars uit binnen- en buitenland - naar de kunstwerken van hun mogelijke interesse te dirigeren. Al zijn feesten en ontvangsten, zelfs een liefdadigheidsconcert op Nijenrode ten bate van de joodse vluchtelingen uit Duitsland, stonden op deze manier ook in dienst van zijn handels-offensief.

Aanzoek

In de tweede helft van 1937 was Goudstikker opvallend vaak in Wenen. Zijn huwelijksaanzoek kreeg de vorm van een dialoogje, dat Rosemarie Silbermann met professionele stem voordraagt.

Jacques: Wordt het niet eens tijd dat je Nederlands gaat leren?

Dési: Bedoel je wat ik denk dat het is?

Jacques: Ja.

Dési: Dan leer ik graag Nederlands.

Eind 1937, een half jaar na haar optreden op Nijenrode, trouwden Jacques Goudstikker en Dési von Halban. Ruim twee jaar van een intens gelukkig en uitbundig leven volgden. Op 14 mei 1940 vluchtte het echtpaar met hun in 1939 geboren zoon Eduard met het ss Bodegraven uit IJmuiden richting Canada. 's Nachts, op zee in de buurt van Engeland, viel Goudstikker, tijdens een wandeling aan dek, in een openstaand ruim en brak zijn nek. Hij werd begraven in Laughton, Zuid-Engeland. Via Canada kwam Dési met haar zoontje uiteindelijk in Amerika terecht.

Het eerste bericht dat haar na aankomst in Canada uit Nederland bereikte was een telegram van Goudstikkers notaris waarin haar toestemming werd gevraagd voor de verkoop van de collectie-Goudstikker aan Hermann Göring. Zij weigerde, maar dat had geen invloed op de loop van de gebeurtenissen. In Amsterdam was de directie van Goudstikkers kunsthandel en het beheer van zijn vermogen inmiddels door twee stafleden overgenomen, de door gezondheidsproblemen geteisterde bedrijfsvoerder van Nijenrode, A.A. ten Broek, en de meester-restaurateur Jan Dik senior die door zijn overmatig alcoholgebruik door Goudstikker altijd onbetrouwbaar was bevonden. Hij had Dik dan ook nooit ingelicht over de financiële toestand van de kunsthandel, noch over het vermogen van Goudstikker of familie.

Kunsthandelaar Lodewijk Houthakker die voor de oorlog als jongeman bij de Goudstikkers op bezoek kwam - zijn vader Bernhard Houthakker was een naaste collega van Goudstikker - en tot aan haar overlijden met Dési von Saher was bevriend, zegt over de situatie in 1940: “ Bij Goudstikker was de kapitein van het schip verdwenen en moesten de kok en de stoker de boel overeind houden. Waar knechten ineens de baas worden gaat het nooit goed. Ten Broek was een zwakke broeder en de heren Dik, zowel senior als junior die in het voetspoor van zijn vader trad, deugden voor geen cent. Dat het Goudstikkerbedrijf verkocht moest worden omdat de kunsthandel er vlak voor de oorlog belabberd voor stond, is lariekoek. Alleen al het feit dat het onroerend goed vrij van enige belasting was, zegt dat het goed ging. En dat gold voor de collectie evenzeer, want daarover werd, ook ter verdediging van de verkoop aan Miedl, gezegd dat deze alleen uit winkeldochters bestond. Allemaal leugens. Ook de mare dat Goudstikker zelfmoord zou hebben gepleegd, een bewering die na de oorlog werd gebruikt om onder uitbetaling van Goudstikker's levensverzekering aan zijn weduwe uit te komen, is baarlijke nonsens. Als hij zelfmoord had willen plegen, was hij overboord gesprongen.”

Innig tevreden

Na de vlucht en de dood van Goudstikker duurde het maar een paar weken voordat Hermann Göring zich op de Amsterdamse Herengracht 458 vervoegde. Na eerst bij de firma Asscher een forse portie diamanten te hebben aangeschaft overtuigde de Generalfeldmarschall zich persoonlijk van de kwaliteit van de collectie-Goudstikker en verliet innig tevreden het pand, alvast met een Rembrandt onder zijn arm. De 'aankoop' van de verzameling ten behoeve van zijn eigen landhuis 'Karinhall' buiten Berlijn en voor de collectie van het Führer-Museum dat Hitler in Linz wilde oprichten, liet hij onder andere over aan zijn vriend Alois Miedl. Deze kocht de complete collectie-Goudstikker voor een schijnbedrag van twee miljoen gulden. Dit bedrag dat in geen enkele verhouding stond tot de waarde van de verzameling, werd ten behoeve van de weduwe Goudstikker op een Nederlandse bank gezet. Na de oorlog bleek Miedl er meer dan de helft vanaf te hebben geknabbeld. In september 1940 werden de kunstwerken met een extra trein naar Berlijn vervoerd.

Ook de onroerende goederen, Herengracht 485, landgoed Oostermeer en kasteel Nijenrode veroverde Miedl voor een onwaarschijnlijk lage prijs, samen voor ƒ 300.000. Tenslotte werden Ten Broek en Dik senior met aanlokkelijke geldsommen aan de zegekar van Miedl gebonden. Vorstelijk gehonoreerd kwamen zij in dienst van Miedl toen deze in september 1940 een vennootschap oprichtte, getiteld 'Kunsthandel voorheen J. Goudstikker N.V.' De onderneming zou voor Miedl miljoenen opleveren.

Sleutelstuk

Na de oorlog hertrouwde Dési Goudstikker met de advocaat Mr. A.E.D. von Saher die in 1952 een overzicht schreef 'van de gebeurtenissen in de periode van 31 December 1939 tot april 1952 rond N.V. Kunsthandel J. Goudstikker.' In de 'affaire-Goudstikker' is het een sleutelstuk geworden. Uit het hoofdstuk over de haastige overname in mei 1940 van het beheer over het Goudstikker-vermogen door de heren Dik en Ten Broek, blijkt dat daarbij de moeder van Jacques Goudstikker, die vijftien procent van de aandelen bezat, op de voorgrond werd geplaatst. Von Saher schreef: “Ten Broek en Dik trachtten hun bewind te dekken met een beroep op de oude mevrouw Goudstikker. Mevrouw Goudstikker was toen in haar een-en-zeventigste jaar. Zij kende de zaken van de kunsthandel niet en miste elke ervaring op zakelijk gebied. Zij was mede aanwezig geweest toen Jacques Goudstikker op 14 mei het besluit nam om te vertrekken. Dit besluit had zij begrepen en goedgekeurd, maar het vertrek had haar erg in de war gebracht. Zij voelde zich verlaten, was radeloos en angstig. Zij luisterden naar Ten Broek en Dik en anderen, vroeg niets en deed wat men haar zeide te doen. De woorden 'dat het nu eenmaal niet anders kon', dat, als men het niet vrijwillig deed 'het door anderen gedaan zou worden', 'confiscatie', zijn nog levendig in haar herinnering. Men liet mevr. Goudstikker met haar 50 aandelen op alle aandeelhoudersvergaderingen verschijnen. Als men de processen verbaal dezer vergaderingen leest, krijgt men de indruk dat zij de stuwende kracht was. Ieder die haar kent, weet dat zij er zwijgend bij gezeten heeft en slechts op vragen antwoordde. Wellicht alleen door een knik met het hoofd.”

Het stuk van Mr. A.E.D. von Saher overtuigde de overheid niet van het recht van de weduwe Goudstikker op de aan Miedl verkochte collectie. Dési Goudstikker-Halban stemde toe in een schikking. Zij verklaarde afstand te doen van alle rechten op de kunstverzameling van haar overleden echtgenoot.

De uitvoerige 'memorie' van Von Saher zal ongetwijfeld weer opduiken nu de schoondochter van Dési von Saher, de Amerikaanse Marei von Saher-Langenbein, echtgenote van de in 1996 overleden Edouard Goudstikker die zich naar zijn stiefvader noemde, en hun dochter Charlene, een claim op de collectie-Goudstikker bij de Nederlandse Staat overwegen. Wat Dési (Goudstikker) von Saher moedeloos heeft opgegeven, gaan schoon- en kleindochter nu proberen te bereiken, daarbij ongetwijfeld geholpen door even energieke als inhalige Amerikaanse advocaten.

Rosemarie Silbermann: “Ik zal nooit vergeten hoe Dési een poging deed een antieke apothekerskast van Museum Boymans-van Beuningen te kopen. Het was een huwelijksgeschenk van Jacques waaraan zij bijzonder gehecht was. Maar de toenmalige directeur weigerde botweg om hem te verkopen. Daarna heeft zij ook innerlijk afstand genomen. Misschien had zij de verkeerde advocaten, in elk geval was zij murw geslagen. Het blijft onfatsoenlijk en het blijft kunstroof, maar zij wilde rust en had geen zin en geen geld meer om eindeloos door te procederen. Ik heb op eigen houtje nog een brief geschreven naar mevrouw d'Ancona toen zij cultuurminster was, met het verzoek de onrechtvaardige schikking te herstellen. Haar antwoord was natuurlijk dat zij niet op eerder genomen besluiten kon terugkeren. Toen ik Dési over mijn brief vertelde, vroeg zij mij hem te verscheuren. 'Zet er een streep onder', zei ze, 'dat heb ik ook gedaan'. De brief heb ik verscheurd.”