Vrede zonder mijnen

DE JURY voor de Nobelprijs van de vrede toont zich trendgevoelig zoals blijkt uit de toekenning van de prijs dit jaar aan de Internationale Campagne tot Uitbanning van Landmijnen en aan zijn coördinator Jody Williams. Het verdrag dat onlangs in Oslo tot stand kwam en dat aanmaak, bezit en gebruik van antipersoneelmijnen verbiedt alsmede de dramatische dood van een beroemde voorvechtster, Lady Diana, prinses van Wales, brachten het thema al onder de algemene aandacht.

Achtergelaten mijnen maken jaarlijks duizenden slachtoffers onder de bevolking van doorgaans toch al straatarme gebieden.

De Campagne heeft veel steun ondervonden van de Canadese regering die het initiatief op het niveau van de internationale politiek tilde en zo het tot stand komen van een volkenrechtelijk bindend verdrag mogelijk maakte. Alleen, grote mogendheden als Amerika, Rusland en China ontbreken op de lijst van ondertekenaars. De verdragspartijen hebben geweigerd de Amerikanen tegemoet te komen en, zoals verlangd, een uitzondering te maken voor de mijnen langs de demarcatielijn die Korea in tweeën deelt. Uitzonderingen zouden de draagwijdte van het verdrag ondermijnen.

Sinds de val van de Muur wordt de wereld met een proliferatie van (burger)oorlogen geconfronteerd. Tijdens voorgaande decennia stond het risico van een alles vernietigende atoomoorlog in het centrum van de belangstelling. Maar ook in die periode maakten conventionele wapens miljoenen slachtoffers. De aandacht heeft zich verplaatst naar verraderlijke wapens als mijnen en gifgas. De Nobelprijs voor de vrede 1997 bevestigt dat.