Victoriaanse pastiche

Peter Carey: Jack Maggs. Faber, 328 blz. ƒ 65,65

Nauwelijks is Jack Maggs, een onzacht kijkende donkere man, in 1837 in Londen aangekomen of hij dringt 's nachts een burgermanswoning in en sluipt door de slaapkamers, ook door die van een drie maanden oud zoontje. Gaat Peter Carey hem een gewelddaad laten plegen? Het gevoelige lezershart krimpt ineen bij het vooruitzicht.

Gelukkig doet Maggs daar geen kwaad, al weet hij heel goed hoe het moet. Hij is aan het begin van de eeuw als Londense vondeling door een genadeloze pleegmoeder tot inbreker opgeleid. Nog minderjarig is hij opgepakt en veroordeeld tot levenslang in Australië, waar hij na zijn invrijheidstelling zakenman is geworden. Nu komt hij terug om te kijken wat er terechtgekomen is van een jongen genaamd Henry Phipps, aan wie hij destijds zijn buit heeft weggegeven.

De lezer die er een echo van Dickens in meent te horen vergist zich niet: Maggs naar Magwich, Phipps naar Pip. Carey, altijd weer anders dan de vorige keer, beoefent in deze zevende roman de kunst van de Victoriaanse pastiche, gecompliceerd door een conflict tussen fictie en werkelijkheid en verruimd met een uitzicht op Australië, zijn land van herkomst.

De vader van het driemaandse zoontje is een romanschrijver, Tobias Oates, die iets weet van de hypnotische techniek van Mesmer. Hij gaat Maggs hypnotiseren om hem te verlossen van neuralgische pijnen, maar ook in zijn eigen belang om hem het verhaal van zijn Londens verleden te laten vertellen. Als Maggs merkt hoe hij benut wordt, onderneemt hij tegenactie. Oates maakt zich van mijn werkelijkheid meester, redeneert hij: dat zal ik hem betaald zetten.

Oates die zelf ook iets te verbergen heeft, komt in de knel en wanneer de bijfiguren verdere verwikkelingen teweegbrengen, moet de lezer nauwkeurig opletten om te begrijpen waar iedereen het over heeft. De aandacht wordt dan beloond met meeslepende verhalen naar oude trant, zoals in de brieven van Maggs over zijn misdadige jeugd, en in het avontuur van Oates en hem in een roeibootje op de Severn bij Gloucester waar zij bijna verdrinken.

De thema's van misdaad en straf, van liefde en wraak zijn door Carey niet zo onthullend behandeld dat de ogen van de lezer wijder opengaan. Hij speelt er meer mee dan hij ze onderzoekt, maar het is bewonderenswaardig zoals hij negentiende-eeuwse gezichten, stemmen en kleuren verbeeldt.

Een benauwdheid als over het lot van het kleine jongetje aan het begin hoeven wij later niet meer door te maken. Het verhaal is dan kunstig en technisch geworden, niet bestemd om in mee te leven maar om bij toe te zien. Wat er zich het meest voor leent om achteraf overdacht te worden, is de afwisseling in de uitbeelding van de personen: Maggs, Oates, de vrouw van Oates en haar zuster waar hij niet af kan blijven, de rijkgeworden kruidenier Buckle en de ontwijkende Henry Phipps, de knecht Constable en het dienstmeisje Mercy, allemaal onttrekken zij zich aan een simpele karakterisering. Zij blijven in de herinnering als portretten van onberekenbare mensen voor hun oud-Londense decor.

Het laatste woord is hiermee niet gezegd, want als de overdenking wordt voortgezet, blijkt Maggs in geen enkel mensbeeld te passen. Dat de auteur daar ook geen moeite voor heeft willen doen, kan opgemaakt worden uit de trefzekere stijl waarin de voormalige jeugdcrimineel zijn brieven schrijft: die klinkt alsof Carey opzettelijk tegen de verwachting ingaat dat zo iemand zich onzeker zou voelen met pen en inkt.

De lezer met ideeën over hoe het hoort in een roman heeft wel meer iets in te brengen tegen Careys manier van vertellen. Kort voor het einde komt Maggs tegenover zijn beschermeling Phipps te staan die een uniform draagt dat hem razend maakt, van het 57e Regiment Infanterie. Wat betekent dat voor hem? Terugbladeren dan maar. Aha: 200 pagina's eerder blijkt dit het regiment geweest te zijn van de kapitein Logan die in Australië Maggs rug verminkt heeft met zweepslagen. Wie het nummer vergeten was, voelt zich terechtgewezen. Op zulke punten dreigt de stemming tussen Carey en zijn lezers ruzieachtig te worden. Dat zal hem niet kunnen schelen. Hij is zijn eigen baas.