Vaag beeld van jonge componist

Present, NPS, zondag 12 en 19 oktober, Ned.3, 16.03-16.32u.

De één rapt over swingende saxofoontonen. De ander schreef een muziekstuk voor neuzelende fluiten. De derde bedient zich van repetitieve muzikale patronen. De laatste componeerde een monolitisch monument voor een gedeeltelijk geprepareerde piano. In de tweedelige documentaire Present van de NPS worden vier jonge componisten gevolgd bij de opnamen van de single-cd's die het Centrum Nederlandse Muziek van elk van hen onlangs op het label Present uitbracht. Zondagmiddag zijn de (strikt gescheiden) portretten te zien van David Dramm en Huba de Graaff. Volgende week volgen Vanessa Lann en Arthur Sauer.

“Het is alsof je een foto op een Vermeer plakt”. Aldus vergelijkt David Dramm de confrontatie van het rappen, het zing-praten uit de popmuziek, met de 'klassieke' klank van het Aurelia Saxofoon Kwartet in zijn compositie Master Bob Blaster. De Amerikaan Dramm (1961) kwam een kleine tien jaar geleden naar Nederland, waar hij intussen furore maakt als popmusicus, tekstdichter en componist. Misschien zou hij aan zijn vergelijking kunnen toevoegen dat aan de Vermeer-met-foto ook nog eens een zestien millimeter-filmpje bungelt. Naast pop en klassiek, is ook de jazzmuziek prominent vertegenwoordigd in Master Bob Blaster. De titel verwijst naar bebop-pianist Thelonius Monk, en aan de compositie ligt in de verte Monks Straight no chaser ten grondslag.

Het werk van Huba de Graaff (1959) getuigt van een volkomen andere esthetiek. Falanx II schreef zij in opdracht van Cobla la Principal d'Amsterdam, een ensemble dat bestaat uit koperblazers en bespelers van 'middeleeuwse strijdfluitjes' met wat percussie. Als een heldhaftig strijdlied klinkt het stuk, soms als een kudde blatende schapen. Maar steeds blijft er die aandoenlijke, wat valsige klank die kenmerkend is voor Cobla la Principal. De Graaff (invloeden: jeugdorkest, de Hema en Madonna) acht zich ongeschikt voor het componeren voor 'geïnstitutionaliseerde' ensembles. Zij heeft allerminst een voorkeur voor het schrijven van gecompliceerde of doordachte muziek: “God, je probeert nog eens wat en schrijft het op.”

De eveneens in Amerika geboren Vanessa Lann (1968) kwam na een studie aan Harvard naar Nederland om haar componeren bij Theo Loevendie te vervolmaken. Als buitenlander in Nederland herkent zij zich in de Engelse zegswijze 'Moving to the beat of a different drummer'. Spelend met deze spreuk kwam zij tot haar compositie Dancing to an orange drummer. De repetitieve muziek roept Steve Reich en John Adams in herinnering, maar Lann benadrukt dat haar werk zich heeft geëvolueerd.

Lann is zonder twijfel de meest ambachtelijke van de vier geportretteerde componisten, degene die de technische kanten van het vak van componist met de meeste virtuositeit toepast. Arthur Sauer (1962) zoekt het vooral in klank. Terwijl pianist Reiner van Houdt in Buster de toetsen van het instrument bespeelt, bewerkt Sauer nauwgezet de snaren van de vleugel met bouten, boeken en wat dies meer zij - een puur technische handeling, meent hij, vergelijkbaar met het indrukken van een pedaal. Het resultaat mag er wezen.

Present (regie: Ruud van Gessel; muziekregie: Dick Kuys; eindredactie: Henk van der Meulen) is een aardige, maar weinig diepgravende documentaire die een beeld geeft van het tegenwoordige componeren in Nederland. Een beeld. Want waarom juist deze vier componisten werden geselecteerd blijft vaag. Jammer is bovendien dat de composities amper in een breder perspectief worden geplaatst. De plaats van de componisten in het brede spectrum van de gecomponeerde muziek in Nederland blijft onderbelicht, alsook de plaats van de compositie binnen het oeuvre van de componisten. Maar misschien is dat teveel gevraagd voor vier portretten van elk 10 minuten.