Sardonische poëzie voor dagelijks gebruik

Elisabeth Eybers: Verbruikersverse / Consumer's verse. Querido, 54 blz. ƒ 29,90

Er zit vaak een vreemde kronkel in de bundeltitels van Elisabeth Eybers. Neem Rymdwang: dat klinkt niet echt als een aanprijzing. Het is de naam voor het verschijnsel dat het rijm soms al te zichtbaar dwingt tot stoplappen. Maar in het geval van Eybers is het ook de verklaring voor haar dichterschap: zij kan niet anders dan dichten en rijmen, zij wordt er al haar hele leven toe gedwongen. Respyt (1992) suggereert iets luchtigs: tijd om te verpozen, een uurtje vrijaf, een moment voor jezelf. Maar respijt betekent ook uitstel van executie, een besef dat in de ouderdomslyriek van Eybers maar al te zeer aanwezig is. Tydverdryf (1996) heeft ook iets onbekommerds: dichten als leuke hobby. Maar uit het titelgedicht valt op te maken dat Eybers in lange nachtelijke uren, tussen slapen en waken in, de tijd ook vaak letterlijk moet verdrijven.

Aan de hand van haar titels zou je al bijna een portret van Eybers kunnen geven. Zij is een dichteres met geen al te hoge dunk van zichzelf en van het dichterlijke bedrijf, met gevoel voor ironie en zelfspot en aandacht voor taal, woorden, betekenissen, voor letterlijk nemen en dubbelzinnigheden. En altijd is zij uit op een onverwachte wending, een vreemde draai, met vaak als gevolg dat ernst, ontroering of een existentiële waarheid alsnog door de luchtige buitenkant komen steken.

Haar nieuwe bundel heet Verbruikersverse, en ook Consumer's verse, omdat 18 van de 52 gedichten in het Engels zijn geschreven (waarvan 10 vertalingen). De titel klinkt opnieuw weinig aanprijzend. Het woord 'verbruikersverzen' bestaat in het Nederlands geloof ik niet echt, maar de bedoeling laat zich via verwante woorden als verbruiksliteratuur, gebruikskunst en consumptielectuur wel zo ongeveer raden: gemakkelijk leesbare, niet al te moeilijke lyriek, bedoeld voor eenmalig gebruik. De term veronderstelt geen bevlogen dichterschap, eerder koopmansgeest en gevoel voor wat er leeft onder de klanten. Maar verrassend genoeg blijkt de eerste verbruiker van Eybers' verbruikersverzen niet een of andere doelgroeplezer te zijn, maar de dichteres zelf. Al is het natuurlijk wel mooi meegenomen, zo'n 'toevallige' lezer: Dit wat ek self as verbruiker nodig het en ook aan elke toevallige luisteraar bied is alledaags, direk en onverlet: 'n gedurig voorhande synde soort van lied.

Het staat er wat losjes, maar het is wel duidelijk dat Eybers hier over een eerste levensbehoefte spreekt: er moet altijd een alledaags lied voorhanden zijn, voor onmiddellijk gebruik. Het alledaagse dichten (ook in de letterlijke betekenis: op alle dagen) heeft haar vroeger wel eens het beeld ingegeven van een 'sondagdigter ongeag die dag van die week'. Er zit, bij alle spot, ook iets waars in. Eybers is het type van de gelegenheidsdichter voor wie elke gelegenheid aanleiding kan zijn tot een gedicht: noodweer, een vroege zingende merel, de letters O.L.V.G. of een onzelieveheersbeestje dat met 'sy gaasdun vlerkies' landt op 'die dor kneukelland' van haar hand. Haar poëzie is in de loop van haar oeuvre noodgedwongen steeds meer binnenhuispoëzie geworden.

Eybers vindt haar aanleidingen steeds vaker in dichtbije, altijd voorhanden onderwerpen als het dichten, een herinnering, de gebreken van de ouderdom. In nogal wat gedichten gaat het over kwalen en klachten, van slapeloosheid tot strompelen en 'netvliesverlies', in nietsontziende bewoordingen soms. 'Jou brein is 'n bos waar spookapies goël' zo begint ze een gedicht, meteen gevolgd door 'jou buik 'n gekamoefleerde riool' en het besef dat 'al jou liggaamsdele' afvalligen zijn geworden, fanatieke bekeerlingen die een nieuw doel hebben gevonden, elders. Het zijn beelden die je mooi kunt noemen, of origineel, of zelfs humoristisch. Ze bewijzen dat Eybers gelukkig nog niet genezen is van die andere ziekte waaraan zij lijdt, 'die beproefde patologie / van poësie'.

Maar er zit tegelijk ook een licht verbijsterende kant aan: te zien hoe onsentimenteel en spitsvondig zij blijft, op het sardonische af, bij zulke onderwerpen. Zij blijft haar best doen om van de nood een deugd, en van de deugd een dichtregel te maken, liefst met wat wrange humor erin: 'My netvlies kwyn, my knieë sak inmekaar,/die kind in my moet hardop hieroor lag / dis iets om vol verwagting te ervaar,/dit skep vir avontuur weer kans en krag.' In een ander gedicht probeert zij ons en zichzelf wijs te maken: 'Met die klimmende jare word jou bestaan verryk'. En dan gaat het er bijvoorbeeld om dat zij nu na vele valpartijen alsnog geleerd heeft om veel beter dan vroeger vlak voor haar voeten te kijken. Nog zo'n verrijking: de vele verrassingen die de nacht blijkt te bieden als de slaap maar niet wil komen en er urenlang in het donker getuurd mag worden.

Het is een kwestie van smaak en duiding, maar ik geloof niet dat dit soort wrange humor louter spel of plezier is - eerder juist een wezenstrek. Het indrukwekkende van Eybers' poëzie, en zeker van haar ouderdomspoëzie, is haar volharding in een houding: die van iemand die zichzelf voortdurend tegen het licht wil blijven houden, die elk gevoel pas vertrouwt als het ook van de andere kant benaderd is. Eerlijk en nietsontziend, bijna de houding van iemand die wil snijden in eigen vlees, ook uit nieuwsgierigheid. Dat mag luguber klinken, maar zo klinkt Eybers' poëzie ook vaak. Zoals in 'Troos':

Die vlyt wat my hart aan die dag lê maak my af en toe byna bang, ongeag my eie gemaksug bly hy dag en nag fluks aan die gang. As ek bang word, verdubbel die yweraar sy haas om my hardop te sus: wag maar, want elkeen, maar élkeen is uiteindelik geregtig op rus.

Zo'n gedicht is een heleboel dingen tegelijk: absurd en humoristisch, spitsvondig en dubbelzinnig, maar ook met een akelige afstand tussen geest en lichaam, hoofd en hart. Intussen speelt het een uiterst gewaagd spel met het ijverige, braaf doorwerkende hart, alsof Eybers het wilde uitdagen. Hartklopppingen van angst, en daar dan geruststellende woorden in horen, en wel de geruststelling van de dood - dat heeft iets lichtzinnigs en superieurs, maar ook iets lugubers. Het meest lugubere is nog wel het bijna achteloze praten, om niet te zeggen babbelen hierover, in een volmaakt soepel lopend vers. En dat dan ook nog eens 'Troost' noemen, alsof er niets aan de hand is