Postuum werk van Ernest Gellner; Nationalisme onder een nieuwe loep

Ernest Gellner: Nationalism. Weidenfeld & Nicolson, 114 blz. ƒ 44,70

Nederlanders zien zichzelf graag als een niet-nationalistisch volk. Maar de praktijk wijst anders uit. Een van de tophits vorig jaar was Vijftien miljoen mensen, een ode aan de bewoners van onze lage landen. 'Land van duizend meningen/ land van nuchterheid', heet Nederland, dat overigens nergens expliciet genoemd wordt. 'Land vol verdraagzaamheid' ook. Want in de bijbehorende videoclip wordt duidelijk gemaakt dat de vertedering van de tekstschrijvers niet alleen maar blanke inwoners van Nederland geldt, maar ook alle anderen. De nationalistische reflex komt het sterkst naar voren in het refrein: Vijftien miljoen mensen op dat kleine stukje aarde, die moeten niet het keurslijf in, die laat je in hun waarde.

Tegen wie of tegen welke bedreiging deze defensieve opmerkingen, vervat in dreigende muziek, gericht zijn, blijft onduidelijk. De Europese integratie? Vermoedelijk weten de tekstschrijvers het zelf niet. Maar in ieder geval vertolkten zij een soort communis opinio: een bank bouwde om deze tophit zelfs een reclamecampagne.

Toch zullen de makers, de kopers en de bankiers van Vijftien miljoen mensen de constatering dat zij verantwoordelijk zijn voor een uiting van nationalisme vermoedelijk verontwaardigd van de hand wijzen. Nationalisme, dat is iets voor anderen op deze wereld: voor achterlijke types op de Balkan, die hun buurman om zeep helpen, voor Turkse Grijze wolven of voor inwoners van landen als Groot-Brittannië en Frankrijk, die nog niet hebben ingezien dat voor chauvinistische zelfverheerlijking in de moderne wereld geen plaats is. Zo vergaat het nationalisten altijd: alleen de eigen zelftrots kan de toets der kritiek doorstaan.

Nationalisme - al vele malen als een archaïsme doodverklaard - is een hardnekkig verschijnsel. Het verschijnsel lijkt - zeker nu zo nadrukkelijk de bakens in de richting van globalisering en internationalisering zijn gezet - eerder meer dan minder last te bezorgen. Over aard en wezen van dit verschijnsel hoor je zelden iets interessants, anders dan de gedachte van de nationalisten zelf dat nationalisme een 'natuurlijk' en aan de samenleving inherent verschijnsel is, of - integendeel - het steeds moeilijker vol te houden idee dat het hinderlijke verschijnsel wel verdwijnen zal, naarmate de zegeningen van de moderne industriële samenleving zich verder over de aardkloot verbreiden.

Gezien de wijdverbreide onzekerheid treft het ongelukkig dat een van de origineelste denkers over nationalisme twee jaar geleden overleden is: de Britse antropoloog en filosoof Ernest Gellner, die in 1995 op 70-jarige leeftijd de pijp aan Maarten gaf. Twintig jaar lang had hij vooral bij nationalisten impopulaire verklaringen en theorieën ten beste gegeven - naast provocerende inzichten op vele andere terreinen want Gellner was een intellectuele ruziezoeker. Ook postmoderne cultuurrelativisten kregen er bijvoorbeeld stevig van langs, alsmede freudianen.

Dynamiek

Gellner, telg uit een joods geslacht uit Praag, was van 1962 tot 1984 hoogleraar filosofie aan de London School of Economics. Tot zijn eigen verwondering verkochten zijn antropologische boeken beter dan de filosofische. Met name Nations and nationalism uit 1983, waarin hij voor het eerst zijn nationalisme-theorie systematisch uiteenzette, werd al spoedig na verschijning een standaardwerk. In 1984 kreeg Gellner, door de benoeming tot hoogleraar in Cambridge, alle gelegenheid zijn antropologische liefde uit te baten. Slechts vier jaar had hij nodig voor niets minder dan een geschiedenis der mensheid onder de titel Plough, Sword and Book: The structure of human history. Het is een van zijn moeilijkste werken, voornamelijk gewijd aan de overgang van de agrarische naar de industriële samenleving, Gellners favoriete onderwerp dat ook centraal staat in zijn nationalisme-theorie.

Nationalisme is voor Gellner een cultureel verschijnsel dat verbonden is met de wording en vestiging van de moderne industriële samenleving. In een agrarische maatschappij heeft iedereen zijn nauw omschreven functie: boeren boeren, ridders vechten, monniken bewaken het cultureel erfgoed. Er is geen enkele reden waarom een boer zich de cultuur van de edelman of de geestelijke zou eigenmaken, want hij zal toch nooit ridder of geestelijke worden. Een lid van de agrarische samenleving hoeft zich niet verbonden te voelen met zijn buurman, als deze tot een andere stand behoort: hij hoeft niet met hem te praten en zal nooit met hem van plaats ruilen.

De industriële samenleving daarentegen heeft behoefte aan mensen die snel van maatschappijke functie kunnen wisselen: heden sjouwer, morgen landarbeider, heden bureaucraat, morgen bedrijfsleider van een wasserette. Terwille van de sociale mobiliteit is het van belang dat de leden van zo'n samenleving een gemeenschappelijke, door allen gedeelde cultuur hebben. Het nationalisme - al of niet (meestal wel) gebaseerd op fictieve historische banden tussen mensen op grond van taal, geloof, ras enzovoort - levert zo'n algemene cultuur die door een hele maatschappij, van hoog tot laag, gedeeld kan worden. Het nationalisme is dus - anders dan nationalisten plegen te beweren - geen 'natuurlijk' of 'oud' verschijnsel. Het is een bij uitstek modern verschijnsel dat niet binnen afzienbare tijd zal verdwijnen.

Gellner, die zoals een van oorsprong Midden-Europese kosmopoliet betaamt vele talen kende, had een vooruitziende blik. Al in de jaren tachtig was hij regelmatig in het toen nog ferm onder Sovjet-controle liggende Oost-Europa te vinden. Had zijn werk in Cambridge hem al niet de roep bezorgd een geniale excentriek te zijn, dan was deze faam hem wel door zijn Sovjetologische studies ten deel gevallen. Zo publiceerde hij in 1988 het wederom razend gecompliceerde State and Society in Soviet Thought, een verhandeling over theorie en praktijk van de Sovjet-maatschappijleer in zijn nadagen en gebaseerd op zijn contacten met Sovjet-antropologen. Sociale wetenschappers in de Sovjet-Unie serieus bestuderen was niet bepaald in de mode in de jaren tachtig. Maar Gellner vermaakte zich uitstekend, zoals blijkt uit zijn onweerstaanbaar grappige essay A blobologist in Vodkabuzia dat verplichte lectuur zou moeten zijn voor wie zich in de toekomst voor de thans verdwenen wetenschap der Sovjetologie interesseert.

Verwoestend

Met de desintegratie van de Sovjet-hegemonie in Oost-Europa eind jaren negentig en de wederkeer of uitvinding van vele agressieve vormen nationalisme aldaar brak voor Gellner een gouden tijd aan. Ondanks zijn gevorderde leeftijd werd hij nog productiever dan daarvoor. Een stroom publicaties kwam op gang, zowel meer wetenschappelijke als - voor een groter publiek - zijn immer onderhoudende en meestal verwoestende recensies in The Times Literary Supplement. Hij verhuisde naar zijn geboortestad Praag en was daar directeur van het 'Centrum voor de bestudering van nationalisme' aan de Centraal-Europese Universiteit, toen Magere Hein toesloeg.

Het klinkt misschien raar, maar ik mis hem. Niet dat ik al zijn opgewonden verhandelingen over geschiedenis, antropologie, Freud of postmodernisme steeds geheel kan volgen. Gellner is het soort denker waarbij je je regelmatig afvraagt of je als lezer te dom bent voor het te berde gebrachte, of dat de geleerde zelf wellicht enige inconsistenties in zijn denken aan het oog probeert te onttrekken door veel vertoon van eruditie, spitsvondigheid en humor. Maar de perceptie van een genie wordt, zoals bekend, door de hulpeloosheid van de lezer in het geheel niet belemmerd. Integendeel.

Dat hij een beetje excentriek was, droeg ook zeer bij tot intellectuele affectie voor Gellner - zelden betrapt men hem op een gangbare opvatting. Alsmede - ik moet het eerlijk bekennen - het feit dat hij sinds zijn jeugd mank was. Ik heb hem een keer geïnterviewd in Cambridge. Toen ik de hooggeleerde voor het eerst zag komen aanhinken over het grasveld in de centrale kloostertuin van deze universiteit - een parcours, zo deelde hij onmiddellijk mee, dat voorbehouden was aan professoren, hun mannelijke gasten en hun maîtresses - wist ik meteen: zo hoort een groot geleerde eruit te zien.

Geheel in de lijn van Gellners grote werkdrift lagen er op het moment van zijn dood twee boeken op publicatie te wachten, waarvan zijn zoon de bezorging ter hand heeft genomen. Er is een filosofisch manuscript onder de hallucinerende titel Language and Solitude: Wittgenstein, Malinowski and the Habsburg Dilemma. Het thans verschenen werk heet echter wat bevattelijker Nationalism.

Gellner doet in dit boek een eerlijke poging zijn nationalisme-theorie wat duidelijker dan voorheen uit te leggen en slaagt daarin. Pas aan het eind slaat hij lustig aan het polemiseren met allerlei genoemde of niet genoemde tegenstanders over twee van zijn vele favoriete onderwerpen: de oorzaken van de toenemende populariteit van het moslim-fundamentalisme in de wereld en die van de ondergang van het marxisme als theorie van staat. Beide zijn antinationalistische filosofieën, denkt Gellner, en het is dus merkwaardig dat de een het zo goed doet terwijl de ander ten onder is gegaan.

De verklaring zoekt hij in het profane karakter van het marxisme, dat het aards bestaan verheerlijkt en geen magische- of goddelijke dimensie erkent. Voor de marxist is deze situatie een zware belasting, temeer daar de materiële werkelijkheid zich maar zelden conformeert aan de richtlijnen van de ideologie. Nationalisme, als een magisch alternatief voor de marxistische staatstheorie, kon hier een aantrekkelijk alternatief bieden.

De fundamentalistische islam daarentegen heeft de neiging het aards bestaan strak te willen reguleren maar ziet daarin geen uitdrukking van God: die blijft een strak van het aardse afgescheiden entiteit. Voor de gelovige is dat comfortabel. Worden de aardse zorgen al te drukkend, dan zoekt hij zijn heil bij God. Worden de goddelijke eisen wat te zwaar, dan kan men altijd nog terecht in de profane wereld. Natuurlijk biedt de islam zich wel aan als een rivaal voor het nationalisme, als het erom gaat de harten der mensen te veroveren. Maar de fundamentalistische islam bestrijdt het nationalisme niet op z'n eigen terrein: de natie blijft een element van wereldse ordening, dat het enige ware geloof als het ware kan negeren.

Platte vragen

Gellners betoogtrant laat - hoe meeslepend en stellig ook - vaak ruimte voor platte vragen als 'is dit nu allemaal wel zo?' Het is soms bovendien onduidelijk op welke momenten de - naar we mogen hopen in proefondervindelijk onderzoek geïnteresseerde - antropoloog aan het woord is en waar de meer speculatief ingestelde filosoof regeert. Bij dat interview destijds probeerde ik hem zijn nationalisme-theorie te laten toepassen op de Nederlandse Opstand tegen Spanje. De geleerde gaf daarop niet thuis. Nederlands was trouwens een van de weinige talen die hij niet beheerste.

In Nationalism lijkt Gellner zich meer dan in eerdere boeken rekenschap te geven van onvolkomenheden en blinde vlekken in zijn eigen theorieën. Wellicht was dat de vrucht van de fysieke confrontatie met de nationalistische werkelijkheid in Oost-Europa aan het einde van zijn leven.

In weerwil van talloze voorspellingen is het communisme in Oost-Europa niet aan verzet van nationalisten ten onder gegaan, constateert Gellner, maar aan gebrekkige economische resultaten. Het nationalisme heeft van die ondergang natuurlijk wel geprofiteerd en de vraag is nu hoe de nieuw nationale staten in Oost-Europa zich zullen gedragen: als redelijk stabiele, zelfbewuste landen naar het voorbeeld van Frankrijk of Engeland, of als een baaierd van spanningen, nationale onduidelijkheden, rivaliteiten en bloedbaden?

De beste garantie voor stabiliteit is, denkt Gellner, als er in de hogere lagen van de maatschappij (clerus, adel) al een gemeenschappelijke cultuur aanwezig is die een huwelijk kan aangaan met een politiek machtscentrum. Zo is het in de Middeleeuwen in Frankrijk gegaan: als de ideologie van de koningen in Parijs kon die cultuur, bijvoorbeeld in de vorm van taalaanpassing, rustig worden verbreid over het staatkundig territorium. Maar het probleem van minderheden, die aanstalten maken een eigen nationale staat te vormen, bleef bestaan. De ruimte voor nationale staten is nu eenmaal beperkt. Er zijn meer embryonale nationale culturen dan er plek is voor nationale staten, meent Gellner.

Hij zegt het niet, maar op grond van deze redenering lijkt Rusland goede papieren te hebben als een succesvolle nationale staat: de Russische cultuur en taal zijn al eeuwen op uniforme wijze verspreid over een groot grondgebied en worden bovendien gesteund door een duidelijk machtscentrum in Moskou. Het andere uiterste vinden we op de Balkan: er zijn daar nauwelijks duidelijke culturele gemeenschappen voorhanden, en nog minder machtscentra van betekenis. En tot overmaat wonen de dragers van verschillende culturen allemaal kris-kras door elkaar heen, zodat het centrale streven van nationalistische politici - het verenigen van de dragers van één cultuur in één met uitsluiting van andere culturen - eigenlijk maar op één manier gerealiseerd kan worden: via de etnische zuivering.

Het valt niet al te zwaar om tegen Gellners theoriën allerlei bezwaren te bedenken, historische bijvoorbeeld. Maar ik stel voor om de waarde van dit boek niet uitsluitend af te meten aan de intellectuele houdbaarheid van de ideeën, maar tevens aan de verregaande stupiditeit waarmee Nederlandse en andere Westerse politici zich bezighouden met het nationalisme en die geen uizondering maar regel is, met name op de Balkan. Inconsistentie is dan troef: nadat de Europese Unie aanvankelijk de voorkeur had gegeven aan het behoud van de multinationale staat Joegoslavië, werd vervolgens het groene licht gegeven voor de afscheiding van nationale republieken van ex-Joegoslavië. Toen dit beleid, geheel volgens verwachting, uitliep op etnische zuiveringen in Bosnië-Herzegovina - waar niet één dominante natie voorhanden is om 'staatsvolk' te worden, maar drie rivaliserende - werden die zuiveringen door onze beleidsmakers plotseling verboden. De laatste maanden zijn onze soldaten van de vredesmacht Sfor in Bosnië-Herzegovina dus druk bezig om verkiezingen vluchtelingen in staat te stellen te gaan stemmen in de plaats waaruit zij tijdens de oorlog etnisch gezuiverd zijn. Hun verdrijving, zo is de doctrine, kan niet worden erkend omdat etnische zuivering ontoelaatbaar is en Bosnië-Herzegovina net zo'n multinationale staat moet zijn als het oude Joegoslavië dat het Westen een paar jaar geleden heeft opgegeven. De kiezers van Bosnië-Herzegovina weten echter wel beter en stemmen eensgezind op de drie nationalistische partijen die - openlijk of besmuikt - etnisch purisme in het vaandel voeren.

Vanwaar zo'n absurd beleid? Zijn de Europese politici soms bang dat ook in eigen land de kans op gewelddadigheden toeneemt, nu de grenzen geslecht worden,maar tegelijkertijd extreem-rechtse partijen nationalistische thema's exploiteren en nationalistische liedjes de hitparade halen? Bij zoveel verwarring, onbegrip en dreiging is ieder verstandig woord over nationalisme welkom, hoe controversieel ook.

Ernest Gellner, kom terug!