Philips' president-commissaris Maljers bekritiseert industriebeleid van Wijers; 'Hightech is leuk voor mannen aan borreltafel'

Floris Maljers, president- commissaris van Philips en oud-bestuursvoorzitter van Unilever, hield vanmiddag de Tinbergenlezing. Die ging over industriebeleid. Vantevoren praatte hij, minder formeel, over de boodschap van zijn verhaal. “Als je geen geld verdient met vliegtuigen en wel met bloemen, is de keuze simpel.”

VREELAND, 10 OKT. Een van de mooiste ideeën voor zijn lezing, vindt Floris Maljers, kreeg hij toen hij vorige week aan het wandelen was in het dal van de Tiber, bij Assisi. Jarenlang, bedacht hij, leek het industriebeleid van de Nederlandse overheid op het werk van de sociale dienst: wie zichzelf niet in leven kan houden krijgt bijstand. “Voor mensen vinden we dat goed en beschaafd”, zegt Maljers. “En we vonden het heel gewoon dat het principe ook werd toegepast op bedrijven.” Maar die “antropomorfe benadering”, dat doen alsof een bedrijf een mens is, is volgens Maljers erg ongezond. Een overheid moet bedrijven die zichzelf door dom management of een veranderde wereld niet in leven kunnen houden juist geen steun geven. Het leidt bijna altijd tot ellende. “Je blijft met trekschuiten varen. Je houdt vernieuwingen tegen.”

Tussen oktober 1995 en januari 1996 onderhandelde Maljers voor minister Wijers van Economische Zaken met Dasa, toen nog meerderheidsaandeelhouder van Fokker, over nieuwe steunverlening aan de vliegtuigindustrie. Het eindigde, onder andere door Maljers' onsentimentele opstelling, in een faillissement. In zijn lezing wilde Maljers niet flauw doen en weer over Fokker beginnen. Het voorbeeld dat hij over het management in gedachten had verving hij door een anekdote over de Verenigde Oostindische Compagnie in haar nadagen. Het bestuur van de VOC, de Heren XVII, weigerde doelmatiger te gaan werken. Dat zou maar leiden tot minder subsidie van de Staten-Generaal.

Práát je met Maljers, dan kan hij het toch niet laten. “Fokker”, zegt hij, “was verslaafd aan overheidssteun.” Daardoor gebeurde niet wat had moeten gebeuren: saneren en aansluiten bij Airbus.

Dat de steun aan Fokker geen gratis subsidies waren maar kredieten, maakt voor Maljers niet uit. “Iedereen wist dat ze niet konden worden terugbetaald.”

Over de technoleaseconstructie - Fokker verkocht in 1994 voor ruim vierhonderd miljoen gulden zijn kennis aan de Rabobank die daarmee een mooie aftrekpost voor de belasting kreeg - is Maljers nog harder. Koos Andriessen, toen nog minister van Economische Zaken, sprak van een “faciliteit” waar ieder bedrijf gebruik van kon maken. Maljers verwijst naar het Rekenkamerrapport van vorig jaar oktober: het was geld weggegeven.

Philips profiteerde in 1993 toch ook van de regeling?

Maljers: “Daar lag het anders. Je kon ervan uitgaan dat Philips weer winst zou gaan maken en dan komt het geld via de belasting weer terug.” Maar in één adem door zegt hij dat hij technolease hoe dan ook verkeerd vindt. “Ik ben ertegen om via de achterdeur een kruiwagen geld in de bijkeuken leeg te gooien. Punt. Einde mededeling.”

Stomverbaasd was hij toen het kabinet dit voorjaar besloot om een half miljard rechtstreeks in een nieuw Fokker te investeren. Dat gebeurde nadat een plan was afgewezen om weer voor veel geld een aftrekpost van de vliegtuigbouwer door te schuiven naar de Rabobank. Een mooie aanwijzing, zegt Maljers, dat ook dit kabinet de “faciliteit” toch gewoon zag als een manier om steun te geven. “Het was een demasqué.”

De overheid, zegt Maljers, kan niet controleren wat er gebeurt met geld dat naar een bedrijf gaat. Het rapport van de Rekenkamer bewees dat volgens hem. De overheid is ook niet in staat om de bedrijven te selecteren waarvoor steun geen verspilling is. Daarom, zegt Maljers, moet de overheid zich niet met individuele bedrijven bemoeien. “Moet je zien hoe moeilijk het voor de leiding van een bedrijf is om een strategie te bepalen. Je moet er visie voor hebben, alles weten van je eigen terrein. Die kennis heeft de overheid helemaal niet.”

Voor het zogenaamde clusterbeleid waar Andriessen mee begon en waar Wijers nu mee doorgaat heeft Maljers waardering - al spot hij met de “Haagse Mandarijnentaal” waarin dat beleid in nota's wordt verwoord. Een cluster bestaat volgens de definitie van het ministerie van Economische Zaken uit “netwerken en ketens van toeleveranciers, afnemers en/of kennisdragers gericht op innovatieve toegevoegde waarde creatie”. Bedrijven die in zo'n cluster zitten, is de bedoeling, kunnen rekenen op hulp en aandacht. Voorwaardescheppend industriebeleid heet dat. Heel goed, vindt Maljers. Maar gevaren zitten er ook aan vast, want welke clusters moet de overheid kiezen? “Ieder beleid”, zegt Maljers, “heeft de neiging de status quo te handhaven.”

Hij vindt het merkwaardig dat in Nederland alles wat hightech is wordt geassocieerd met goed, en lowtech met slecht. Maljers' eigen definitie van hightech: “Het is gemaakt van metaal of silica, het is interessant voor mannen en het is een goed onderwerp aan de borreltafel.” Hij bedoelt: hightech betekent niet vanzelf dat er geld wordt verdiend.

En nu kan hij het weer niet laten. Maljers ergerde zich aan de advertenties die de laatste bestuursvoorzitter van Fokker, Ben van Schaik, kort voor het faillissement in de kranten liet zetten: of we soms een land moesten worden waar alleen nog maar bloemen worden gekweekt. “Ik moest die week toevallig een wereldcongres van bloemenkwekers toespreken”, zegt Maljers. “Die waren behoorlijk in de bil geprikt.”

Terecht, vindt hij. Als een land geen geld verdient met vliegtuigen en wel met bloemen, dan is de keuze simpel.

Uw Fokkervijanden zeggen: die ijsjesverkoper van Unilever is gewoon jaloers dat zijn onderneming geen overheidsgeld kreeg en veel belasting moest betalen.

Maljers lacht. “Jaloers is het woord niet. Als je voor de Bijenkorf een man met zo'n harmonica ziet staan en die krijgt van voorbijgangers af en toe een gulden in zijn hoed geworpen, wat denk je dan? Godlof dat ik daar niet sta.”