Peter van Straaten tekent als een beeldend columnist; De dagelijkse huichelarijtjes

Uit de duizenden cartoons die Peter van Straaten maakte en opsloeg in steeds meeverhuizende vuilniszakken werden er tegen de negenhonderd geselecteerd voor een expositie in Bergen op Zoom. “Van Straaten vindt eigenlijk dat hij al tekenend aan het schrijven is, hij zegt dan ook geen eigen stijl te hebben maar een eigen handschrift.”

Peter van Straaten, overzichtsexpositie, t/m 10 januari in het Markiezenhof, Steenbergsestraat 8, Bergen op Zoom. Dinsdag t/m zondag van 14-17 uur.

Peter Vos, Simon Carmiggelt, Annie Schmidt, in iets mindere mate Godfried Bomans, en zeker ook Peter van Straaten zijn aanbeden Nederlanders wier werk zo langzamerhand boven alle kritiek verheven is geraakt. Ze worden nationaal bewonderd, tientallen jaren achtereen. Pas als ze een hele tijd dood zijn komt er uit een volgende generatie soms iets van relativering, waagt hier en daar iemand een kritische kanttekening. Met Bomans gebeurde dat al vrij snel, Carmiggelt komt heel langzaam ook aan de beurt.

Peter van Straaten bevindt zich in zijn 62-ste levensjaar op de top van de algehele bewondering zoals de publiciteitsgolf rondom zijn eerste grote overzichtstentoonstelling (in het Markiezenhof in Bergen op Zoom) bewijst.

Op twee verdiepingen zijn zeven zalen met tussen de 800 en 900 prenten (hoeveel het er precies zijn is onbekend) gevuld; ze bedekken de wanden soms tot aan het plafond, waardoor ze dan slechts met een verrekijker te bereiken zijn. De organisatoren hebben inderdaad even overwogen om toneelkijkertjes ter beschikking te stellen maar zagen daar toch van af. De overvolle wanden zijn overigens een bewust onderdeel van de opzet, die ook de massaliteit van Van Straatens oeuvre duidelijk wil maken. Wie de tekeningen stuk voor stuk wil bekijken is aangewezen op het boek Peter van Straaten (uitgeverij Waanders, ƒ 49,50) dat tegelijk met de expositie verscheen. Het is een mooi en uitvoerig boek over een tekenaar met een uniek talent, dat staat vast. Maar of hij al de status van kunsthistorisch verschijnsel heeft bereikt, dat ook via de diepte-psychologie moet worden geduid?

Een object van wetenschappelijk onderzoek?

In het boek is het al zover, geleerde deskundigen benaderen het tekenend fenomeen uit de seksuologische, psychologische, literaire, taalkundige, politieke en sociologische hoek. Dat alles wordt in 183 noten nog eens nader verduidelijkt. Inleidend is een mooi, lang interview met de kunstenaar met nogal wat onbekende of minder bekende details. Het werd geschreven door Els Timmerman, die met Van Straaten getrouwd is en het blijft toch een beetje de vraag of je dat kan doen, jezelf door je eigen vrouw bewonderend laten interviewen in een aan jezelf gewijd boek. Kortom: Peter van Straaten dreigt een beetje te worden doodgeknuffeld. Dat hij in het boek overeind blijft, is voornamelijk te danken aan de honderden tekeningen en aan zijn talent om altijd via een mengsel van ironie, mededogen en groot ambachtelijk kunnen op de wereld om hem heen te reageren.

Van Straaten doet dat al een jaar of veertig, in Het Parool en Vrij Nederland en in een keten van provinciale kranten van Friesland tot en met Limburg. Hij is een journalistiek verhalend tekenaar, een beeldend columnist met een antenne voor gemeenplaatsen, situaties en uitdrukkingen waarachter veel van wat er in de samenleving aan de hand is verscholen gaat.

Met een letterlijk en figuurlijk scherp pennetje, wordt dat alles onthuld, zijn blik blijft gericht op vooral de dagelijkse huichelarijtjes en kleine leugentjes. Zijn prenten, hoewel in allerlei genres uiteenvallend, zitten altijd tussen de cartoon, de politieke prent of zomaar een waarneming in. Ze lijken, afgedrukt in de krant, moeiteloos tot stand gekomen uit een wirwar van lijntjes en krabbeltjes in Oostindische inkt. Inderdaad kan Van Straaten snel werken, hij heeft altijd een voorraadje klaar voor ziekte of vakantie, maar moeiteloos gaat het toch niet.

Dat is te zien aan de originelen op de expositie, waar verkeerde lijntjes onder dekwit verdwijnen of worden gecorrigeerd op opgeplakte stukjes papier. Er moet soms heel wat geprutst worden voor een tekening echt klaar is. Van Straaten zegt wel eens een dag of vier over een tekening te doen.

De expositie werd geselecteerd uit letterlijk duizenden prenten, die - opgeborgen in vuilniszakken - Van Straatens vele verhuizingen volgden. Voor een niet onbelangrijk deel is dat werk uit zijn kinderjaren en uit het daarop volgende jongelingenschap. Het zijn losse tekeningen maar ook vele geïllustreerde dagboeken (logboeken noemt hij ze zelf) met bijvoorbeeld een registratie van de vogelsoorten die deze al heel vroeg begonnen birdwatcher observeerde. Daarvoor was in de omgeving van Arnhem, waar hij in het gezin van een architect werd geboren, alle gelegenheid. Hij kwam al vrij snel naar Amsterdam voor een opleiding aan wat nu de Rietveldakademie heet.

Scheltema

Uit de jaren '50 vermoedelijk stamt een tekening die hij desgevraagd als zijn lievelingswerk aanwijst. Het is een café-interieur met vier vermoeide en wat verlopen drinkers, de alcohol ruist door de ruimte die schemerig uit de zwarte inkt naar voren treedt. De tekenaar zegt het zo niet meer te kunnen, zo losjes en trefzeker; het café zou geïnspireerd zijn op het Amsterdamse journalistencafé Scheltema, maar dat kan niet helemaal kloppen. Scheltema namelijk had en heeft nog steeds geen bar met krukken ervoor.

Maar ja, Van Straaten tekent vrijwel nooit naar de letterlijke werkelijkheid, maar altijd uit het hoofd op basis van de ontelbare beelden die in zijn hoofd voor dat doel opgeslagen liggen.

Hij zegt ergens zelfs dat naar voorbeelden tekenen hem 'een gruwel' is. Zijn denken, zegt hij voorts, speelt zich af in lijnen, in zwart-wit en zijn tekeningen berusten voor ongeveer 50 procent op autobiografische uitgangspunten.

Op de expositie worden zijn woorden onderstreept door de enkele keren dat hij wél naar de werkelijkheid wilde tekenen, een zelfportret en een portret van Simon Carmiggelt mislukten. Een portret ten voeten uit van collega Wim Bijmoer daarentegen is prachtig, maar dat werd een liefdevolle karikatuur.

Zijn modellen zitten in zijn brein waar ze pas na lang filteren pasklaar zijn voor het witte tekenpapier. Onder de liefhebbers wordt nog steeds gespeculeerd over de man die model zou hebben gestaan voor de vaderfiguur in de strip Vader en Zoon die Van Straaten beroemd maakte. De strip verscheen zeventien jaar lang in Het Parool in een eindeloos generatieconflict tussen een moederloze zoon en diens vader. Ze bekvechten altijd en overal over alles maar blijven zielsveel van elkaar houden. Dat duidelijk te maken was het knappe van de strip.

Model voor de vader zou een schoenenwinkelier uit de Paleisstraat zijn geweest die tussen de middag altijd bij Scheltema een paar pilsen dronk. Maar ook een andere vaste bezoeker van dat lokaal wordt genoemd, namelijk Frits van der Molen, in die dagen een ouder geworden journalistiek, drinkend en schakend character met altijd dezelfde standaardgrappen. Bij Het Parool stond vast dat de redacteur Manus Mulder de vader was, hoewel de echte Manus geen zoon had maar twee dochters. Desgevraagd gaf Van Straaten in alle gevallen toe dat er wel wat inzat.

Dat de zoon aan de figuur van journalist en fotograaf Philip Mechanicus was ontleend staat voor iedereen buiten kijf, hoewel Max Pam blijft volhouden dat hij het was die voor de zoon model stond.

Koortsachtig

Peter van Straaten werkt nog steeds koortsachtig door aan zijn reusachtig oeuvre hoewel hij het zelf niet als koortsachtig ervaart. Hij begon als klein kind al te tekenen, daarin vooral gestimuleerd door een oudere broer, Gerard, die zelf ook tekende (en ook illustrator is geworden). Die raadde hem aan in inkt te gaan werken omdat potlood niet afgedrukt zou kunnen worden. Hij volgde die raad onmiddellijk op waaruit kan worden afgeleid dat toen al zijn doel de krant was.

Van Straaten was ook een hardnekkig natuurliefhebber met een speciale voorkeur voor vogels. Het is niet de enige overeenkomst met die andere nationale tekenaar Peter Vos. Hun werk lijkt helemaal niet en tegelijkertijd heel veel op elkaar. Ze hebben dezelfde bezetenheid en dezelfde sarcastisch-milde kijk op dingen en mensen en weten die feilloos in het platte vlak te verbeelden. Ze werken in een zelfde mentaliteit. Hun figuren kunnen slechts op papier bestaan. Zodra ze een dimensie krijgen toegevoegd verdwijnen ze. Als bewegende figuren op film bijvoorbeeld gaat het onmiddellijk mis, zoals enkele pogingen op de televisie genadeloos aantoonden. Het werd een even grote flop als de verfilming van Carmiggelts Kronkels. Niet voor niets waren Van Straaten en Carmiggelt elkaars bewonderaars. Hun extra dimensie was een spirituele die vastgekluisterd zit aan het platte vlak of aan de abstractie van het geschreven woord. Van Straaten vindt eigenlijk dat hij al tekenend aan het schrijven is, hij zegt dan ook geen eigen stijl te hebben maar een eigen handschrift. Het schrijven zit hem hoog hoewel hij in zijn boek verklaart: “De last is dat ik eigenlijk niet kan schrijven.” Hij doet het toch, bijvoorbeeld aan zijn feuilleton over Agnes in Vrij Nederland, een gescheiden vrouw met een zoon en wisselende vrienden, hetgeen complicaties oplevert. Ook dit verhaal werd zo populair dat het in boekvorm verscheen.

Terecht?

Van Straaten zegt er dit over: “... omdat het in een intellectuele krant verschijnt hebben de mensen het gevoel dat het literaire waarde heeft. Het is de boeket-reeks van de intellectuelen, bijna edelkitsch.”

Het zou best eens kunnen zijn dat deze uitlatingen meer zijn dan valse bescheidenheid. En dan rest mij slechts Van Straaten gelijk te geven. Agnes blijft veel platter en krachtelozer dan zijn getekende figuren. Ze tolt rond in een wereldje dat wordt beheerst door clichés van haar subcultuur. Het verhaal haalt het net niet in tegenstelling tot de tekeningen die vrijwel allemaal schoten in de roos zijn en waarvan de soms wat uitvoeriger onderschriften Van Straatens onmiskenbare taalgevoel aangeven.

Porno

Gevraagd naar zijn favoriete genre is Van Straaten onmiddellijk en duidelijk: “Dat zijn absoluut mijn pornotekeningen.”

In twee boeken (Aanstoot en Nastoot geheten) publiceerde hij in totaal 104 'onfatsoenlijke' en 'nog onfatsoenlijker' tekeningen. In het Markiezenhof is er een hele zaal aan gewijd. Ze behandelen prent na plaat de geslachtsgemeenschap in voorspel, hoogtepunt en naspel alsmede de zelfbevrediging van man en vrouw. Deze handelingen spelen zich altijd in het openbaar af. Met andere, in dit verband onvermijdelijk, woorden: er wordt geneukt, gebefd, getrokken, gepijpt en gevingerd in de rechtzaal, op een vluchtheuvel, tijdens het zingen van het volkslied, op recepties.

Het is eigenlijk helemaal geen porno of erotiek, het zijn de meest absurde en daardoor hilarische situaties, het is een strikt persoonlijk surrealisme dat soms ontroert maar meestal doet schuddebuiken.

Op een van de platen is iets merkwaardigs aan de hand. In een hoek van een schoolplein zijn een paar leerlingen wanhopig met elkaar aan het rommelen. Een van hun schoolschriften ligt opengeslagen in de voorgrond op een bladzijde waarop in microscopisch schrift een tekst staat. Onder het vergrootglas blijkt er dit te staan: “Soms gebeurt het dat een epigoon meer bekendheid krijgt dan de oorspronkelijke kunstenaar. Anton Pieck is zo'n geval. Hij is een epigoon en een imitator van twee Engelse tekenaars uit het begin van deze eeuw, Edmund Dulac en Arthur Rackham. Wie denkt dat zijn wat waterige aquarelstijl een eigen vinding is vergist zich. Het is de stijl van tekenen die omstreeks 1910 in zwang was bij veel Europese en Amerikaanse tekenaars. Dulac en Rackham waren daarin in Engeland de meesters. In Amerika was dat John Livingstone.”

Hier werd in 1984 een appel geschild in een typische Van Straaten-benadering: bijna onzichtbaar rekent hij af met de bejubelde Pieck.

Hierboven werd Van Straaten vergeleken met Peter Vos; het zijn de twee meest bewonderde tekenaars van ons land. Toch is er in die waardering een vreemd en onverklaarbaar verschil. Peter Vos verkoopt geregeld werk dat ingelijst en aan de muur gehangen wordt. Van Straaten heeft dat een paar keer in Haagse en Amsterdamse galerieën geprobeerd, maar het lukte niet. De publieke belangstelling richt zich bij hem op de gedrukte versies, die massaal worden uitgeknipt en bewaard. Maar naar de originelen is er blijkbaar geen koopkrachtige vraag. Vreemd.

Tot slot wil ik graag mijn favoriete Van Straaten-cartoon navertellen. Een verpleegster staat over een patiënt gebogen en zegt: “Wat is dat nu, meneer Van Vloten? Zijn we vannacht zomaar opeens overleden?”