Ossenkoppen en vierpassen

Jan Pluis: De Nederlandse tegel; decors en benamingen. Nederlands Tegelmuseum/Vrienden van het Nederlands Tegelmuseum/Primavera Pers, 696 blz. circa 2700 afbeeldingen. ƒ 135,-

Ruim honderd jaar geleden verscheen het eerste belangrijke boek over Nederlandse tegels: Paul F. Knochenhauer, Niederländische Fliesenornamente. Daarna is de tegel steeds opnieuw onderwerp geweest van allerlei publicaties. Vaak ging het over deelterreinen, zoals bloemen of kinderspelen die afgebeeld staan op dat oerhollandse product. De enorme, ongedifferentieerde massa van nooit goed beschreven tegels bleef echter weerbarstig. Er bestond bij de verschillende auteurs, maar ook bij verzamelaars en handelaren geen eenstemmigheid over de terminologie van de voorstellingen, motieven en randen. Ieder maakte een keuze uit de vele verschillende omschrijvingen die in omloop zijn of introduceerde eigen aanduidingen. Fabrieksoverzichten en tentoonstellingscatalogi, voor zover ze althans voorhanden zijn, maakten de spraakverwarring er niet beter op.

Met de verschijning van De Nederlandse tegel; decors en benamingen is er eindelijk een bruikbaar systeem van classificatie gekomen. De tegeldeskundige Jan Pluis heeft voor de decoraties op tegels, omlijstingen, hoekmotieven en tableaus een keuze gemaakt uit alle bestaande namen en typeringen, heeft begrenzingen in soorten aangebracht, categorieën vastgesteld en daarmee voor de Nederlandse wandtegels, afkomstig uit de periode van 1570 tot 1930, een sluitende beschrijving opgesteld. Jugendstil wandtegels, die een geheel eigen decoratierepertoire kennen, bleven buiten beschouwing.

Een constante aanwezige in de vier eeuwen waarin de besproken tegels werden gefabriceerd, is het zogeheten ornamentdecor: een gestileerd of symmetrisch ingedeelde versiering die eindeloos herhaald kan worden. Jan Pluis spoorde ruim 850 ornamenten op en ordende ze in acht hoofdgroepen. Dat deel van de publicatie zal vooral de doorgewinterde verzamelaar aanspreken. De oppervlakkige liefhebber komt minder aan zijn trekken, want de schrijver ging steeds uit van één exemplaar en juist die ornamenttegels komen veel beter tot hun recht als ze samenhangend in een groot vlak te zien zijn.

Bekoorlijker zijn de andere decors, zoals de figuren (met in de onderafdeling 'beroepen' onder veel anderen een hoedenverkoper en een nachtwaker met klep, spies en zwaard) of de taferelen waaronder voorstellingen geïnspireerd op een fabel, een spreekwoord of een mythologische geschiedenis vallen. Tot de tafereeldecors behoren ook de scheepvaarttegels. De voorbeelden in Pluis' boek vermeerderen in belangrijke mate de maritieme kennis van de lezers: er zijn beurtschepen met een gaffeltuig of een spriettuig, kofschepen, oorlogsfregatten, Chinese jonken, galeien en spiegeljachten.

De decorindeling van de tegel vindt een vervolg in de beschrijving van de randen en de vele varianten van de hoekmotieven. Na de tegels die een 'vlakvullend' patroon hebben, zoals de donker gevlamde voorbeelden die bij voorkeur achter het haardvuur werden gemetseld zodat de roetaanslag minder opviel, krijgen tot slot de tegeltableaus hun definitieve plaats in de geschiedenis toebedeeld. De koeien, de paarden, een trekschuit omstreeks 1850, maar ook een grafschrift en een ganzenbordspel maken voortaan deel uit van een systeem.

Het Nederlands/Engelse handboek is mooi uitgegeven, gaat in op de herkomst van decors, verduidelijkt de vele technische termen en bevat bijlagen en een uitgebreide literatuurlijst. De publicatie voldoet ook aan het ultieme criterium voor een dergelijk fors uitgevallen, wetenschappelijk werk: twee leeslinten maken het de gebruiker makkelijk.