Nogmaals Wagner-Hitler

Met belangstelling heb ik het artikel gelezen van Arnold Heumakers 'Het Derde Rijk als jongensdroom' over de Wagner-Hitlerrelatie (19 september). Alhoewel ik mij in het algemeen wel kan vinden in zijn betoog heb ik wel een paar kritische noten. 'Net als bij de rest van Wagners muzikale oeuvre luistert niemand er meer naar met in het achterhoofd de intenties die de componist heeft gekoesterd', aldus Heumakers.

Hij laat daarbij dus een mogelijke veronderstelling open dat Wagner, beperk ik mij hier tot zijn hoofdwerk de 'Ring', daarin toch een versluierde boodschap verpakt zou kunnen hebben. Dat mag voor sommigen dan zo zijn, een feit is dat Wagner met zijn Ring in ieder geval wel een heel duidelijke intentie had. Deze staat verwoord in het eigenhandig geschreven libretto. Het gaat namelijk in de Ring om twee principiële keuzemomenten. De eerste wordt verwoord door één van de Rijndochters (Wellgunde) en wel in 'das Rheingold' waarin zij glashelder zegt dat alleen diegene die de kracht en de macht van Minne en Liefde afzweert, zich verzekerd mag weten van wereldse macht. Het is het een of het ander: liefde versus macht. Al het gesjoemel om deze keus op een of andere manier uit de weg te gaan, het op een akkoordje zien te gooien, of de ontstane problemen voor je uit te schuiven, leiden onherroepelijk tot het tweede keuzemoment: de ontmoeting met de alwijze, alwetende liefdevolle oermoeder, de Erda. In dat tweede en beslissende moment stelt Wotan zijn eigen Wil, zijn eigen 'ik' boven die van haar wijsheid. Het resultaat is zijn ondergang en die van zijn wereld.

Aan deze twee momenten is de gehele Ring 'opgehangen'. Het is duidelijke taal, daar is niets versluierd, daar kan toch weinig misverstand over bestaan. Naast de tekst van het libretto bestaat bovendien een ander nog duidelijker document. Dat is de brief die Wagner in 1854 schreef aan zijn zich toen in gevangenschap bevindende vriend August Röckel. Daarin legt hij de strekking van de Ring nog eens haarfijn uit. Het ware te wensen dat deze brief in alle programmaboekjes zou worden afgedrukt. Al het geklets, het 'hineingeinterpretier' van de door Heumakers besproken auteurs zou, na onbevooroordeelde kennisname van Wagners teksten, meteen naar de rommelzolder kunnen worden verwezen. Net zoals trouwens een groot deel van dat hoogdravende proza over al die filosofische en theologische onderwerpen van Wagner zelf. Zij zijn tijdgebonden, bovendien door andere auteurs (bijvoorbeeld Schopenhauer) veel duidelijker verwoord.