Museum Boijmans verwerft duizenden ornamentprenten

Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam heeft geruisloos een omvangrijke privé-collectie ornamentprenten verworven. Een keuze wordt vanaf morgen tentoongesteld. “We hebben er ineens een zwaartepunt bij,” aldus een Boijmans-conservator. De voormalige eigenaar prof. Th. Lunsingh Scheurleer hechtte aan zijn verzameling. Tòch viel het onthechten hem niet zwaar.

Tot 7/12 in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18, Rotterdam. Geopend: di-za 10-17u, zo 11-17u.

DEN HAAG/ROTTERDAM, 10 OKT. Welke fontein hoort er in de tuin thuis, welke schouw in de kamer, welke sierlijst aan het plafond? Vragen als deze komen niet alleen bij hedendaagse vormgevers aan de orde, ambachtslieden hebben ze al eeuwenlang gesteld. Ze keken modellen en motieven graag van elkaar af. En daartoe circuleerden sinds de 16de eeuw, over de grenzen heen, prenten met gedetailleerde voorbeeldtekeningen. Al die messcherp geëtste vormen en versieringen werden in stapeltjes gebundeld, geraadpleegd op de ateliers van edelsmeden tot schrijnwerkers, en veelal weggegooid als zich andere modes aandienden.

Evenals het Victoria & Albert Museum in Londen beheert ook het Rijksprentenkabinet in Amsterdam een flinke collectie van dat type grafiek - de ornamentprent. Maar Museum Boijmans Van Beuningen kan het nu ineens tegen zijn Amsterdamse collega opnemen. Want begin dit jaar heeft het Rotterdamse museum, dat zo'n 100.000 prenten beheert, voor een onbekend bedrag - “een kostbare aangelegenheid” - vierduizend ornament- en architectuurprenten verworven.

Alle bladen komen uit het bezit van Prof. Th. Lunsingh Scheurleer (86), oud-directeur kunstnijverheid van het Rijksmuseum (1943-1963) en later hoogleraar in de Geschiedenis van de kunstnijverheid aan de Rijksuniverseit Leiden. “Lunsingh Scheurleer verzamelde met name Franse bladen van de 17de tot en met de 19de eeuw,” vertelt conservator Manfred Sellink van Museum Boijmans Van Beuningen. “Prachtig, want de paar duizend ornamentprenten die we al hadden, dateren uit de 16de en 17de eeuw en komen vooral uit Nederland en Duitsland. We zullen deze deelcollectie nu met nieuwe aankopen uitbreiden en de bladen ook regelmatig op tentoonstellingen combineren met voorwerpen waarop de prent-decoraties terugkeren.”

Hoewel zich in de 16de eeuw al verzamelaars aandienden en deze grafiek tot in de 19de eeuw, dankzij de herwaardering van alle vormen van handwerk, nog gewild was, genoot het genre deze eeuw weinig populariteit. De ornamentprent was te gewoontjes, niet esthetisch genoeg. Modernisme en Nieuwe Zakelijkheid maakten de liefde voor het ornament zelfs verdacht. “Ons dagend historisch besef heeft inmiddels tot een grotere waardering bijgedragen,” vertelt Sellink temidden van de meer dan vijftig zwarte Lunsingh Scheurleer-grafiekdozen in het museumdepot.

De collectie loopt in thematiek sterk uiteen. De verzamelaar joeg op een breed terrein, was niet alleen op sublieme drukken uit en keek ook niet op een vlek meer of minder. Is een 16de-eeuwse prent van arabesken zo groot als een postzegel, de neo-klassieke, 18de-eeuwse gevels, voorbeelden van strenge Franse raam- of zuilenpartijen, zou je als autonome bladen meteen willen inlijsten. Zelfs de kitscherige litho's van bordeelachtige gordijnen en fauteuils, die in 19de-eeuwse bladen als Le Garde Meuble als 'advertising' fungeerden, nam Lunsingh Scheurleer op in zijn brede overzicht van de West-Europese ornamentiek.

Het visuele repertoire van de ambachtsman strekte zich uit van medaillons, 'eerepoorten' en personificaties van deugden tot studies in ranken, plafondhoeken en tafelpoten. “Maar de 17de-eeuwse tuinvazen van Jean Le Pautre waren mijn favorieten,” vertelt Lunsingh Scheurleer (86), thuis omringd door zijn tweede verzameling: modern glaswerk. “Het zijn ongelooflijk mooie, diepe drukken, rijk aan schakeringen en contrasten. Nee, het kost me geen moeite om er afstand van te doen. Dat heb ik in dit leven geleerd.”

Waarom verzamelde hij juist deze grafiek? “Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de woning en zijn interieur. Vraag me niet waarom. Als puber kocht ik voor het tientje van mijn verjaardag al een boek met voorbeelden van 18de-eeuwse trappen. De ornamentprenten waren destijds niet kostbaar en ze lieten zich gemakkelijker opbergen dan schilderijen. Ook de spanning in daden van koopmanschap heeft me altijd zeer aangetrokken. U kunt dat erg Nederlands noemen.

“Dat ik mijn verzameling hier thuis nauwelijks aan anderen liet zien, komt omdat men in zo'n ouderwets onderwerp nauwelijks geïnteresseerd bleek. Bij het collectioneren hoort bovendien een zekere geslotenheid; met het oog op de handel houd je je kruid een beetje droog.”

Lunsingh Scheurleer komt uit “een verzamelaarsnest”. Zijn grootvader bracht het merendeel van de muziekinstrumenten-collectie van het Haags Gemeentemuseum bijeen. Het Allard Pierson Museum in Amsterdam dankt vele antiquiteiten aan zijn vader, de archeoloog. “Je hebt een bepaalde eigenschap meegekregen. Daar heb ik niet om gevraagd, daar heb ik gewoon iets mee gedaan. En door die achtergrond was ik gewend om met kleine en grote verkopers om te gaan: van een man met een pet op, die zijn prenten op de markt verkocht, tot de Russische arts Vadim Cotlenko, uit wiens collectie ik na zijn dood in 1990 in Parijs nog enkele schitterende prenten heb verworven.

“Een kunsthandel valt of staat bij één persoon. Het belang van dat persoonlijke contact kan niet genoeg onderstreept worden. Ik kocht zowel in Amsterdam als in New York - als er maar even tijd, en maar even geld was. Bij voorkeur in Londen, want in Parijs ligt veel besloten in financiële relaties. De Engelsen zijn zakelijker en meer met ons verwant.”

Lag het niet voor de hand om de verzameling aan zijn oud-werkgever, het Rijksmuseum, aan te bieden? “Nee, beslist niet. Als je bij het Rijksprentenkabinet, een van de belangrijkste verzamelingen van Europa, zo'n blok grafiek naar binnen brengt, zou er nogal wat in het depot verdwijnen. Want men vraagt zich daar ook onmiddellijk af 'hoeveel drukken hebben we er al van?'. Instellingen als Museum Boijmans en het nabije Nederlands Architectuurinstituut kunnen er nog van alles mee gaan doen.”