Men eet uit zijn hand; Toneelgroep Amsterdam speelt Corneilles Zinsbegoocheling

De komedie 'Zinsbegoocheling' van de zeventiende-eeuwse Franse toneelschrijver Pierre Corneille wemelt van de omkeringen en, ogenschijnlijke, ongerijmdheden. Het stuk, dat 16 oktober bij Toneelgroep Amsterdam in première gaat, bestaat uit 'glanzend pingpong over rede versus gevoel'

Afgelopen zondag was de discussie er weer. De VPRO-televisie zond Breaking The Waves uit, van de Deense filmer Lars von Trier. De film vertelt een liefdesgeschiedenis die niet mooi eindigt. Een vrouw houdt verschrikkelijk veel van haar man. Hij raakt door een ongeluk verlamd en is niet langer in staat de liefde met haar te bedrijven. Zij vindt dat geen probleem, maar hij wel. Hij wil dat zijn vrouw, nota bene de kuisheid zelve, met andere mannen naar bed gaat en hem daarover vertelt. Omdat hij zonder die plaatsvervangende bevrediging, vergelijkbaar met telefoonseks, zegt dood te zullen gaan, willigt ze zijn verzoek in. Ze wordt gemolesteerd op een schip vol zeebonken en overlijdt aan haar verwondingen. Haar man, wonderbaarlijk genezen, bezorgt haar eigenhandig een zeemansgraf.

In de documentaire over Von Trier, na afloop, viel onvermijdelijk het woord melodrama. Niet alleen presenteert dat genre het sentiment als oprechte emotie, het staat ook op gespannen voet met aannemelijkheid, met de waarschijnlijke werkelijkheid. En Breaking The Waves voldoet perfect aan die definitie. Hoe aannemelijk is het immers dat een vrouw zich, uit liefde voor die ene man, haar man, te grabbel gooit voor wie haar maar grijpen wil? En hoe realistisch is het dat die man, volledig verlamd als hij nog was op het moment van haar dood, nog voor haar begrafenis (zij het met behulp van krukken) weer rondwandelt en het lijk een afscheidskus op de lippen kan drukken alvorens het in de golven verdwijnt?

Breaking The Waves is wellicht een draak, maar daarmee kan men de film niet afdoen. Want Von Trier maakte wel een schitterende metafoor voor onbegrensde liefde, zoals sprookjes dat kunnen zijn. Melodramatisch is niet automatisch synoniem met slecht.

Toch is geloofwaardigheid zelfs voor de professionele kunstkritiek een serieus criterium. Als dit of dat “afbreuk doet aan de geloofwaardigheid”, dan weten we hoe laat het is. Het is een dankbaar begrip, geloofwaardigheid, dat veel uitleg overbodig maakt. Maar terecht is dat niet. Geloofwaardigheid bestaat helemaal niet in de kunst, kunst is nooit geloofwaardig. Ze is op zijn hoogst een gestileerde weerspiegeling van de werkelijkheid: zet een en dezelfde man op het toneel en op straat en je ziet twee verschillende mannen.

Vernuft

Wat wel bestaat in de kunst is overtuigingskracht. Zodra en zolang de kunstenaar erin slaagt zijn publiek in te pakken en mee te slepen, kan hij fantaseren wat hij wil, geen mens zal talen naar geloofwaardigheid. Het 'geloof' in een kunstuiting houdt uitsluitend verband met de kwaliteit van dat werk en het vernuft van de kunstenaar - de vraag of de werkelijkheid wel recht wordt gedaan, is volkomen irrelevant.

Vlak voor ik Lars von Triers film bekeek, las ik Zinsbegoocheling (L'Illusion Comique, vertaald door Jules Noyons ter gelegenheid van de uitvoering door Toneelgroep Amsterdam) van Pierre Corneille (1606-1684). Eeuwen eerder dan Von Trier bewees deze Franse toneelschrijver al dat in de kunst alles kan, als het maar goed gebeurt. De neo-classicist Corneille, die weliswaar de klassieke eenheid van plaats, tijd en handeling herintroduceerde in het theater, moest niets hebben van het antieke noodlot. Zijn helden hadden zo te zeggen hun lot in eigen hand, daarbij stevig gesteund door hun schepper. Hen kon alles overkomen, niet dankzij god of goden, maar dankzij een vermetele toneelschrijver die zich niets gelegen liet liggen aan aannemelijkheid. Corneille verhief de onwaarschijnlijkheid zelfs tot principe; in het voorwoord van Héraclius (1647) schreef hij: “Ik deins er niet voor terug te beweren, dat het onderwerp van een mooie tragedie allesbehalve waarschijnlijk moet zijn”. Daartoe schiep hij, in eigen ogen, situaties “buiten de normale orde”, in overeenstemming met zijn personages. En het is waar: men eet uit zijn hand, wat hij ook beweert.

Corneilles komedie, uit (1635), wordt voor het eerst in Nederland uitgevoerd, in de regie van Gerardjan Rijnders. Met Zinsbegoocheling vervolgt de artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, na Andromache van Racine, Penthesileia van Kleist en Klaagliederen, zijn “onderzoek naar de retoriek van het theater”. Ik moet altijd een beetje lachen om die grote woorden, waarmee naar mijn gevoel alleen maar gezegd wil zijn dat Rijnders gewoon zijn werk doet, maar ik moet toegeven, dat ze niet helemaal uit de lucht gegrepen zijn. Corneille maakt het zijn lezer, laat staan het publiek in de zaal en daarmee de acteurs, knap moeilijk. Geschreven (en ook vertaald) in alexandrijnen, wemelt zijn stuk van de inversies, wendingen en (ogenschijnlijke) ongerijmdheden, in formele en inhoudelijke zin. Maar behalve daardoor, verbaast hij keer op keer door wat krom is weer recht te praten en door het onwaarschijnlijke aannemelijk te maken - met situaties “buiten de normale orde” maar vooral met pure overtuigingskracht en redeneer- en verleidingskunst: met retoriek, kortom.

Zinsbegoocheling is een raamvertelling, waarin een toneelstuk omlijst wordt door een toneelstuk. Een tovenaar toont de vader van de verloren gewaande Clindor de wereld waar zijn zoon vertoeft. Tot de aanvankelijke opluchting van de vader gaat het deze vermetele vrouwenversierder goed - tot het fout gaat en hij de dood vindt. De vader roept alsnog ach en wee en wil ook sterven, maar bijtijds verklapt de tovenaar, dat hij slechts naar een toneelstuk heeft gekeken. Zijn zoon is in het verre en verderfelijke Parijs een gevierde acteur geworden, heus, toneelspelen, bezweert hij de vader, is niet meer het liederlijke vuilbekken van voorheen, het is een eerbiedwaardig beroep.

Als belangrijkste vernieuwer en grondlegger van het serieuze drama in Frankrijk (samen met zijn jongere tijdgenoot Racine) had Corneille zijn redenen om het toneel op deze wijze te rehabiliteren. Ons zegt dat motief iets minder, wij bewonderen vooral een meester die illusies wekt om ze vervolgens weer af te breken: niet alleen met Von Trier, maar ook met Brecht deelt Corneille overeenkomsten.

Goed, maar nu het verhaal zelf, het toneelstuk in het toneelstuk. Matamore, de baas van Clindor is verliefd op Isabelle, dochter van Géronte. Zijn rivaal is de edelman Adraste, uitverkorene van Géronte, maar openlijk versmaad door Isabelle (een hart in opstand tegen de heersende autoriteit, hetgeen de komedie Zinsbegoocheling ook nog een scène lang de glans van de tragedie Antigone verleent). Heimelijk versmaadt zij ook de snoever Matamore, maar ze veinst liefde om diens postillon d'amour, Clindor, te kunnen blijven ontmoeten.

De heimelijkheid en het veinzen (beproefd in alle klassieke komedies, tot in die van John Lanting toe) stellen hoge eisen aan de stilistische behendigheid van de auteur. Corneille jongleert ermee, met verrukkelijk gemak en jaloers-makende kernachtigheid. “Slik ik mijn gal in, dan verzeker ik mijn wraak”, zo laat hij de meid de valstrik die zij spant voor Clindor, motiveren. Ook zij is - vergeefs - verliefd op hem en Corneille slaagt erin haar wraakzucht in een adem door te verknopen met haar twijfel, om haar ten slotte te laten verzuchten: “Toch moet ik liefdes pleit voor die pervert negeren / Mijn eer wordt zuiverder verdedigt door mijn haat.”

Lust en deugd

Terloops snijdt Corneille het (politieke) thema aan van de opstand der horigen tegen hun meesters (wat Beaumarchais bijna honderdvijftig jaar later met Le mariage de Figaro nog op censuur komt te staan), maar zijn ware vernuft en zijn lak aan geloofwaardigheid blijkt vooral uit het laatste deel, als Clindor al lang en breed getrouwd is met Isabelle, het deel waarin Clindor zogenaamd de dood vindt. Ze leven in voorspoed en genieten groot aanzien dank zij prins Florilame, die door Clindor “beloond” wordt met het overspel dat deze op het punt staat te plegen met diens vrouw, prinses Rosine. Hij wordt betrapt door Isabelle. Volgt een prachtige dialoog over trouw en ontrouw, waarin vooral Clindors pleidooi (“Meer nog dan mij heb jij je eigen lust gevolgd”) een staaltje is van Corneilles redeneerkunst. Hij legt Clindor een overtuigende verdediging van zijn ontrouw in de mond: “Jijzelf ervoer dat passie niet te temmen is” en: “Gun mijn ontspoorde zinnen deze kleine vrijheid” om vervolgens zijn ondeugd toe te geven met behoud van zijn recht daarop: “Een liefde waarvan niet de deugd het fundament is / Verwoest zichzelf en spat uiteen in een moment”.

Zelfs Isabelle raakt overtuigd dat zijn uitstapje geen kwaad kan voor hun liefde: vooruit dan maar zegt ze. Maar tegelijkertijd dreigt ze met zelfmoord, omdat Florilame in geval van ontdekking behalve Clindor ook haar het leven benemen zal: “Jou lief te hebben was mijn leven, niet de schande / Als buit te dienen voor de man van jouw vriendin”. Waarop Corneille de zoveelste onverwachte wending laat plaats hebben: Clindor verklaart zich bereid van zijn overspel af te zien: “Die grote liefde, of die even grote moed: / Ik buig voor alle twee (...)”. Dit, echter, tot ongenoegen van Rosine die, als Clindor haar zegt dat “het verstand (heeft) gewonnen”, hoont: “Jij vindt dat een triomf, wanneer je hart bezwijkt?” Haar retorische vraag is de opmaat van een glanzende pingpong over rede versus gevoel, eindigend in de slotscène, waarin Clindor en Rosine gedood worden en Isabelle van harte wordt genood op het kasteel van Florilame - “want hij houdt al lang van u”.

Onwaarschijnlijker kan het niet, maar overtuigender evenmin. Heus, geloofwaardigheid is helemaal geen besogne in de kunst. Vernuft, trefzekerheid, brille, bravoure en het vermogen te verbazen, daar gaat het om. Rijnders hoeft de toneelschrijver van zijn te ensceneren stuk “slechts” na te doen. De promotiefoto's van de voorstelling waarop de acteurs van Toneelgroep Amsterdam in de volle glorie van al te luisterrijke kostuums staan afgebeeld, wijzen in de goede richting. Nergens voor terugdeinzen, dat lijkt me het devies. Overdaad schaadt niet altijd.